Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vezels doorschijnend en worden er overlangs ovale, dikwijls in korte vezels overgaande celkernen zigtbaar (fig. 9, g g), welke alle vormen vertoonen, die wij aan de kernen hebben leeren kennen, waaruit zich de kernvezels van het bindweefsel ontwikkelen. Het aantal dezer kernen is gewoonlijk niet belangrijk; somtijds echter komen zij ook, vooral in de kleine aders, in grootere hoeveelheid voor.

De bindweefsellaag van grootere vaten is met fijne kernvezels, even als het gewone, vormlooze bindweefsel voorzien. Ook daarin bezitten de bundels een overlangsch beloop, hetgeen in de aders allengs in het ringvormige overgaat (1).

(1) vilektin (Wagner's Handwörlerbuch, 1842, I, S. 676) heeft door eigene onderzoekingen de waarnemingen van Henlb omtrent het maaksel der slagaders bevestigd. A. F. Günther [Lelirb. d. Allg. Anal. 1845, p. 284) vond lietepithelium in de art. cruralis van eenen gezonden man uit vierzijdige, lineair in rijen verbondene schubjes van 0,004—0,006''" breedte zamengesteld. Later beeft F. Arhold (ffatidb. d. jinal1846, II, 346) de meening bestreden, dat de vezels van het kringswijs vezelvlies naar spiervezelen geleken, dat het epithelium der binnenste oppervlakte als een hijzonder vlies moest worden beschouwd, dat de door IIenie als gevensterd vlies beschrevene membraan stijf en broos is en openingen zou bezitten, enz. h. C. B. iïendz (Handbor/ i der almindelige Anatomie etc. 1846, p. 282, Taf. iv), Molder en Donders (Physiolog. Scheikunde, 1846 bl. 664) bevestigden de opgaven van Henie. Bendz (t. a. p;) en J. G. Lessing (Verhandl. d. liamb. nuturwissenscli. Verein, 1846) leverden afbeeldingen van de verschillende vaatvliezen, welke met die van Henle overeenstemmen.

Meer uitvoerige mededeelingen omtrent het maaksel dei vaatstammen werden later door F. C. Donders en J. H. Jansen (Nederlandsch Lancet, 1847, bi. 473 en volg.), KöLLIKER (Mitllieilungen der sürich. naturf. Gesellsch. 1847, N°. 2. S. 22) en F Jas (TilE (l)(' telis epithehalibus in geilere et de vasorum satif/uiferorum parietibus in specie. Diss. inaug. Dorpat 1847,' p. 17, 22 en volg.) geleverd. De eersten hielden zich uitsluitend met de slagaders bezig, en bedienden zich daarbij van de reeds vroeger door Donders (Holland. Beitriige, 1846,) aanbevolen methode, om doorsneden van het gedroogde weefsel met reagentia te behandelen. Het onderzoek van gedroogde dwarse doorsneden leidde er hen toe om 3 lagen aan te nemen, waartoe zich de resultaten van andere onderzoekingen laten terugbrengen. Inderdaad zouden eigenlijk geene twee der op elkander volgende lagen, waarvan er zich b. v. in de aorta meer dan 100 lieten tellen, elkander volkomen gelijk zijn, zoo dat elk der drie door hen aangenomene lagen nog wel kleine punten van verschil in structuur lieten onderscheiden; grenzen echter, waarbinnen het weefsel wezenlijk verandert, worden oi' slechts 2 gevonden, en op die wijze de slagaderwand in een binnenst, mid-

Sluiten