Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aan vaten van 0,01—0,02" doormeting kon ik geen standvastige punten van verschil vinden, waardoor hunne onderscheiding in slagaderlijke en aderlijke mogelijk kon worden. Wel kwamen

1 buitenst middelst

vlies. vlies. plaatjes.

carotis communis 25 45

carotis externa 22 33 17

carotis interna Luiten den schedel .13 31 9 onvolkomene.

,aV1;' 20 38 15 volkomene.

rrt,ebrallS 20 geene.

hasilaris ... i i A „

.... 11 ffeene.

axillaris .... qn «,r ^

J5 13.

radialis .... on «»«

0*1 geene.

ulnans ...... on or

o5 geene.

aorla 65 45.

coeiiaca ,a

11 1-J geene.

mesaraica superior i0 10 (,eene_

renalis or: 1Q

geene.

masaraica inferior . '>n 10

geene.

... 54 20 onvolkomene.

ïliaca communis 30 «n ,.

.... * 1 u lo zeer onvolkomene.

ïliaca interna 07 07 ..

... ■ • . 1ü zeer onvolkomene

ïliaca externa 9!? q«

o 4 geene.

cruralis (m het midden) .... 27 21 geene

P°Plitea 21 22

Aan de verdere bijzonderheden, die Donders en Jansen omtrent elk dezer vliezen mededeelen, ontleenen wij nog het volgende: Het buitenste vlies vertoont op zeer fijne, in water geweekte, dwarse doorsneden afwisselend breedere en smallere lagen; de eerste zijn bindweefsel: de laatste, die hier en daar ineenloopen, komen met de elastische lagen overeen, en vertoonen zich, bij eene zeer sterke vergrooting, uit eene rij van aan elkander rakende doorsneden van vezels zamengesteld, waaruit blijkt, dat de elastische vezels overlangs en in eene zeer eenvoudige rij liggen. Onder bijvoeging van azijnzuur zwelt het bindweefsel geleiachtig op en dringt de elastische vezels uit elkander, des te wijder, naarmate men digter bij de oppervlakte komt. De elastische vezels der binnenste lagen doen zich dikker voor dan die der buitenste, voorts plat en met de platte vlakte naar het lumen van het vat toegekeerd. Aan omgeslagene stukken bleek bet, dat de elastische vezels netten vormen, met langere mazen in de buitenste lagen dan in de binnenste; nagenoeg altijd worden de breedere vezels door smallere verbonden. In de meeste onderbuiks-slagaders worden de mazen reeds zoo naauw, dat men de lamellen als doorboorde vliezen met kleine openingen beschouwen kan, waarin de overlangsche rigting nog te herkennen is. De verschillende lagen vloeijen met alleen, zoo als reeds vermeld is, ineen, maar zijn ook dikwijls door grootere ruimten afgescheiden, waardoor slechts enkele, dwarse of schuinsche verbindingstakken heengaan.

Sluiten