Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Uit een vat, dat volgens de opgegevene kenmerken ongeveer voor eene ader kon worden gehouden, kwamen takken voort met eene overwegende ontwikkeling der kringswijze vezels. Ik moet daarom c genoemde punten van verschil voor toevallig houden. Aan deze kleine vaten zijn het overlangsche en het dwarse vezelvlies het meest standvastig; het gestreepte vlies Linnen het overlangs-vezelige liet zich reeds aan vaten van 0,2"' door hunne verscheuring onder

sentermm van een kind van 2 weken onderzocht; aders van 0,01—0,015/" waren zonder vezelcellen; die meer dan 0,028"' doormeting hadden; vertoonden eene eenvoudige laag; van dwarse, langwerpige cellen met dwars ovale kernen. De hersenaders, sinus, beenaders en de aderlijke ruimten der corpora cavernosa bezitten geen spoor van spiervezelen (dat is vezelcellen).

Terwijl volgens de meening van Külliker liet spiervlies der slagaders in enkel afzonderlijke, langwerpige plaatjes ontleed wordl, zou volgens Reichert, met wien JiiscnE overeenstemt, elke laag een eenvoudig, door langwerpige spleten doorboord vlies daarstellen. Ook Jüsche stelt drie lagen vast, maar slechts tttcederlei weefsel in de vaatwanden, bindweefsel en een aan de vaatvliezen eigendonim el ijk weefsel; uit het laatste zou de binnenste en middelste laag bestaan, uit het eerste grootendeels het buitenste vlies. Het binnenste en middelste vlies onderscheiden zich daardoor, dat de cellen, waaruit het weefsel zich ontwikkelt, met de langsle doormeling daar longitudinaal, hier dwars gerangschikt zijn, dat' wel niet overal aangetoond is, maar uit den vorm van het voltooide weefsel kan worden opgemaakt. De vezels van liet gestreepte vaatvlies beschouwt JüscnE met Reichert als plooijen; de openingen der buitenste lagen zouden «meer of minder" (minder, Henie) in de lengte uitgerekt zijn. De buitenste lagen van liet binnenste vlies gelijken naar die van het middelste; alleen zijn dë openingen eveneens meer of minder dwars verlengd, en loopen de vezelnetten (daaronder verslaan Reichert en JasCHE het door de openingen doorboorde vlies) dwars om de vaten. De overgang van het buitenste in het middelste vlies, of, zoo als bij de aders, waar het middelste meestal gemist wordt, in het binnenste, geschiedt overal zeer langzaam; slechts in de haarvaten, waar de tunica adcentitia eene zeer dunne laag vormt, schijnt dit anders te geschieden. Daarin stemt Jiiscne met Köiliker overeen, dal hij het bindweefsel overal niet alleen door de buitenste, maar ook door de diepere lagen zag heentrekken; zelfs in bet binnenste vlies, b. v. de aorta, vond hij liet; misschien moet men liet evenwel slechts als bege leider der voedingsvaten beschouwen.

k. Crisp [A treat/se on the structure, diseases and injuries of the blood■ vessels, 1817, p. 2) kent zich niet genoeg oefening toe, om in de vraag omtrent, het maaksel der slagaders Ie beslissen. Hij vroeg 3 ervarene microscopici, van welke hem 2 verzekerden, dat de slagaderwanden musculeus waren, en de 3de.dat zij het niet waren. (Verg. IIenle's J/ihresl/erichl, 1848, S. 50 en volg.)

Vert.

Sluiten