Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het kringswijs vezelvlies der aders is veel dunner en heelt, in plaats van de eigendommelijke gegranuleerde vezels, óf geheel, óf ten minste in deszelfs grooter, naar buiten gelegen gedeelte, bundels van bindweefsel, welke van de overlangs loopende minder bepaald gescheiden en dikwijls daarmede doortrokken zijn. Men kan dit bindweefsel wel met het bindweefsel der huid, der tunica clarlos en het halkweefsel der corpora cavernosa als contractiel aanmerken. Aan den oorsprong der aders uit het hart wordt het door waar spierweefsel vervangen , dat aan de bovenste holle ader tot aan het sleutelbeen , aan de onderste tot aan het iniddeliif, aan de longaders tot aan de verdeeling der stammen in hunne takken kan worden vervolgd (1). De geringere dikte en het eigendommelijk maaksel van dit bindweefselvlies, dat aan het middelste en niet aan het buitenste der slagaders beantwoordt, veroorzaakt, dat de aders ligter zamenvallen; op het gemis van het elastische vlies berust hare geringere elasticiteit. Het overlangsche vezelvlies wordt in de grootere aders niet ligt gemist; van daar dat daaraan eene binnenste, overlangs-vezelige laag gemakkelijker te bereiden is, dan aan de slagaders. Ten opzigte van het gestreepte vlies en het epithelium, geldt van de aders hetzelfde als van de slagaders (2).

(1) RaoscnEL, t. a. p., p. 10.

(2) De bron van tegenspraak in de opgaven omtrent het maaksel van de vliezen der aders is door Norman Chevers (Lond. nted. gaz. 1845, p. 634) ontdekt, daar hij waarnam, dat liet beloop der vezels in verschillende deelen van liet aderlijk stelsel versehill. Met betrekking daarop laten zich twee klassen van aders vormen, uit- en inwendige, en met eenige uitzonderingen bestaat het zoogenaamde middelste vlies der aders in de inwendige aders slechts uit kringswijze vezels, in de uitwendige aders uit eene buitenste laag van kringswijze en eene binnenste laag van overlangsche vezels. De kringswijze vezels der inwendige adeis h. v. de vena cava inferior, vena pulmon., azygos, portarum, coronaria cordis enz., zijn dik en elastisch, bezitten eenen schoonen parelglans, en zijn ten minste in 4 of 5 lagen evenwijdig boven elkander gerangschikt; 'waar een vat in den stam intreedt, krommen zij zicli boven en onderdo opening boogvormig heen, en slechts bij wijze van uitzondering gaan zij op den intredenden tak, natuurlijk als overlangsche vezels, over. Dit is b. v. bet geval bij de venae renales en spermatitae, die onmiddellijk bij de inmonding in de vena cava en een klein eindwegs verder naar beneden over het binnenste vlies met overlangsche vezel» voorzien zijn, die verderop eveneens in kringswijze overgaan; van liet processus fa!ci fortnis, dat de beide venae iliacae communes scheidt, gaan weinige vezels

Sluiten