Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tenst weiachlig vlies en een binnenst vlies, endocardium , dat zich in de boezems dikwijls in grootere lappen laat afscheiden, en met het binnenste vlies der vaten, wanneer dit verdikt is, groote overeenkomst bezit. Het digtst bij de holte bestaat het uit een epithelium, de onmiddellijke voortzetting van het epithelium der vaten; daaronder volgt eene laag van de fijnste en meest ineengewikkelde vezels, even als die, welke zich in de vaten uit het gestreepte vlies vormen ; verder eene laag van aanmerkelijk dikkere elastische vezels, die men nagenoeg als een elastisch vlies zou kunnen beschouwen , en daaronder een bindweefsel, dat met het interstitiële bindweefsel tusschen de spierbundels van het hart zamenhangt. In de ventrikels is het endocardium over het geheel fijner, ook de laag van het gestreepte vlies dunner, en de dikke elastische vezels ontbreken geheel. Daarentegen laat zich de bindweefsellaag als een zamenhangend vlies gemakkelijk bereiden en afscheiden. De klapvliezen van bet hart bezitten hetzelfde maaksel als de klapvliezen der aders; de alrioventriculaire klapvliezen worden, zoo als bekend is, door de uitspreiding van de pezen der musculae papillares versterkt.

De scheikundige onderzoekingen der vaatvliezen hebben hoofdzakelijk betrekking op het kringswijs vezelvlies der slagaderen, waarbij eene scheiding der eigendommelijke gegranuleerde vezels van de daarop liggende donkere natuurlijk niet werd beproefd. Het verliest bij het droogen weinig water, volgens Eulenberg (1) 71 procent, wordt daarbij donkerbruin geel, zelfs zwart, harden broos, maar krijgt in water zijn vroeger voorkomen weder terug. Het gaat niet ligt in rotting over. In kokend water schrompelt het aanvankelijk ineen ; na langer koken wordt het gedeeltelijk in lijm veranderd. Eulesberg verkreeg uit 50 greinen droog middelst slagadervlies , na eene driemaal herhaalde koking met versch water, eerst 48 uren en daarna tweemaal 56 uren lang, 11 greinen gedroogde, in water oplosbare en daarmede eene gelei vormende zelfstandigheid. In azijnzuur, ook in kokend , zwelt het op, zonder te worden opgelost; zamengedrongene minerale zuren ontleden het en veranderen het in brij ; verdunde lossen het bij digestiewarmte

(1) De tela elastica, p. 13.

Sluiten