Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vermeerderde aantrekking van hetzelve door liet parenchyma of door de zenuwen, dan weder aan eene spontane toestroom ing der bloedligchaampjes, dan eindelijk weder aan eene uitzettingskraoht der ^aste deelen toegeschreven, en slechts door weinigen werd daarbij op de levenswerkzaamheid der vaten gelet, die zich in alle geval toch niet geheel ontkennen liet.

liet aandeel, dat de contractiliteit van het hart en de vaten aan den bloedsomloop nemen, kan men met twee woorden zoo uitdrukken, dat van het hart hoofdzakelijk de bloedbeweging, van de vaten de bloedverdeeling afhankelijk is. Er zou noodwendig bloedsomloop moeten plaats hebben, al waren de vaten niets dun buizen; er zou in de kleine vaten eene aanhoudende bloedstrooming zijn , wanneer de slagaders slechts elastische buizen waren ; het bloed echter, dat van uit het hart gelijkmatig wordt voortbewogen, vloeit hier sneller, daar langzamer, slaat in grooteiehoeveelheid nu eens dezen, dan weder genen weg in, uit hoofde dat het lumen der buizen voor eene levendige verandering zijner doormeling vatbaar is.

Aan de grootere slagaderstammen is de levendige contractiliteit door regtstreeksche proeven aangetoond. Zij trekken zich bij bloedvloeiing zamen in dezelide mate als de doormeting der bloedkolom, welke ze uitgespannen houdt, kleiner wordt. Parry (1) geeft op, dat zich de ontbJoote carotis bij een schaap gedurende de bloeding van ||°" omtrek tot {«<>-" zamentrok: na den dood, waarna de contractie , maar niet de elasticiteit ophield, verkreeg zij weder eenen omvang van en deze maat moet derhalve

als de normale wijdte van het vat kleiner wordt, wanneer het noch door geweld uitgespannen, noch door zijne eigene werkzaamheid zamengetrokken is. Hewson (2) liet een ezel doodbloeden, en de nierslagaders waren als strengen zamengetrokken; na mechanische verwijding bleven zij openstaan , zoo als gewoonlijk. Vernaauwing van sommige slagaders van zoogdieren zagen Verscnuin (5), IIastisgs (4) en Jones (5) op mechanische prikke-

(1) lelie?' den arteriösen Puls, s. 40.

(2) Exp. iuq. ii, 14.

(3) De art. et ven. vi ivrilab. Exp. 5, 7, 8, 13, 14, 17, 18.

(4) Entzündung d. Sclileimh, d. Lungen, s. 28.

1,5) Proc. d. IVatur, Blutungen zu stillen, s. 8.

Sluiten