Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dun een half uur hield de zamentrekking plotseling op. Dezelfde schrijver merkte zamentrekking op in eene blootgelegde ader van het oor van een konijn, op prikkeling van het scalpel 10 maal in een zeker veel grooter aantal proeven. Marx legde verschillende aders bij honden bloot, waarop deels van zelf, deels door aanwending van koude en zwavelzuur zamentrekkingen volgden. Hij verklaart uitdrukkelijk, dat de geprikkelde vaten dikwijls nog gedurende het leven, menïgvuldiger na den dood, hunnen vorigen omvang weder aannamen. Tiedemann (1) verzekert, dat blootgelegde aders zich steeds, zoo ver zij aan de lucht blootgesteld zijn, zaïnentrekken. Bruns (2) heeft eene ringvormige insnoering der vetia jugularis aan honden menigvuldig waargenomen.

E. II. Weber (5). voert wel is waar aan, dat hij aders door aanraking met de lucht zoo lang na den dood heeft zien zaïnentrekken , dat hij de contractie niet voor de werking eener levenskracht kan houden ; ik moet daarentegen herinneren, dat er omtrent den tijd, gedurende welken het leven nog in enkele deelen voortduren kan, niets te zeggen valt. Ik zag bij konijnen, volle vijf uren na den dood, het darmkanaal bij de opening der buikholte zich zaïnentrekken. I)e beweging der flimmer-werktuigen duurt, zoo als bekend is, nog eenen veel langeren tijd. Aan de aders in het rnesenterium der pad kon Sciiwann door koude geene in het oog loopend e zamentrekking te weeg brengen (4). Ik moet mij, nadat ik dezelfde proef meermalen heb in het werk gesteld, even zoo voorzigtig daaromtrent uitlaten, als Schwann ; het is veel moeijelijker, dan men zou willen gelooven, daarbij tot een bepaald resultaat te komen. — Aan de holle aders en longenaders, die musculeuze wanden bezitten, is de irritabiliteit aan geen twijfel onderworpen (li), en Muller (6) en Alltson (7) namen

(1) Vers. üher die Wege, S. 33.

(2) Allg. Anat. S. 93.

(3) IIildebrandt's Anat. III , 93.

(4) Berl. Encyclop. Art. Gefiisse, S. 241.

(5) Verscduir, t. a. p. p. 23.

(G) Physiol. I, 204.

(7) Froriep's Notizen, 1839, N. 220.

Sluiten