Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

plotseling, maar zoo dat de zamentrekking langzaam begint, eerst na langeren tijd (in de vaten binnen de 4—25 minuten, volgens Hastings) hare grootste hoogte bereikt, en langzamerhand weder ophoudt. Dat vele uitstekende waarnemers, zich op hunne proeven beroepende, aan de vaten geene contractiliteit toekenden, ligt daarin, dat zij eene snelle zamentrekking verwachtten, zoo als op prikkeling van animale spieren plaatsgrijpt (1). Even zoo uitgemaakt, als in het contractile weefsel der huid en der tunica dar/os, vertoont zich in de vaten de invloed van algemeene toestanden van het zenuwstelsel, met name gemoedsbewegingen, en dien ten gevolge komen algemeene bleekheid (door zamentrekking der vaten) en kippenvel meestal in verbinding met elkander voor, zoo nogtans, dat de bleekheid zich het eerst vertoont, en dien ten gevolge op geringere aanleidingen schijnt te ontstaan. In de vaten eindelijk, even als in het bindweefsel, blijft de reactie op eenen plaatselijken prikkel niet ligt tot die plaats beperkt, maar deelt zich aan de naastbij gelegene deelen mede, en schijnt, zoo als Hastings eenige malen waarnam, wormvormig, peristaltisch, te kunnen voortgaan, en in dat geval zou het zeker mogelijk zijn, dat eene slagader, door onderbinding aan den invloed van het hart onttrokken, of na het ophouden van den hartslag, het bloed allengs naar de takken toedreef, zoo als Parry aanneemt.

Ten gevolge van hunne contractiliteit verkeeren de vaten gedurende het leven voortdurend in eenen middelmatigen graad van zamentrekking, welke zich vertoont, als hunne mechanische uitzetting door het bloed vermindert, en waardoor zij eene kleinere

(1) Op het voetspoor van parkt en blchat hebben verscheidenen het vermogen iler slagaders en van het bindweefsel, om zich zamen te trekken, van de spierprikkelbaarheid onderscheiden en als spankracht, tonicity, beschreven. In zoo verre als daaronder eene kracht moet worden verslaan, die aan die weefsels slechts ten gevolge van hunnen aggregaatstoestand eigen is, is die onderscheiding blijkbaar valsch. Zij is echter ook onhoudbaar, wanneer zij slechts bestemd is om een wezenlijk onderscheid der pbvsiologische energie uitte drukken, want zulk een onderscheid bestaat niet. Ook de spieren bezitten tonus, eene voortdurende neiging om zich zaïnen te trekken, die bij verlamming der antagonisten wordt opgemerkt, en in de verhouding ten opzigte van prikkels heeft een zoo langzame overgang plaats, dat eene scheiding onmogelijk wordt. Dit zal ik in het volgende hoofdstuk, dat over het spierweefsel handelt, trachten aan te toonen.

Sluiten