Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zamentrekking der haarvaten brengt bleekheid voort en gaat het uittreden van het plasma tegen ; hunne atonie en verlamming brengt roodheid voort en eene vermeerderde ophooping van plasma. Bit is reeds op physische gronden meer dan waarschijnlijk; want zoo het ook al niet proefondervindelijk is aangetoond, dat de endosmose gemakkelijker door dunnere vliezen plaats heeft, zoo is het

toch zeker, dat zij in eene regtstreeksche verhouding staat tot de grootte der permeabele oppervlakte , en derhalve sterker is in wijde vaten. Het wovdt echter ook bewezen door de betrekkelijke vermeerdering der bloedligchaampjes in de kleine aders, iets dat door alle waarnemers is opgemerkt (1), en zoo plotseling en plaatselijk, als het zich voordoet, slechts uit vermindering van het plasma kan worden verklaard. Naargelang van de hoeveelheid van heteïsudaat, de zamenstelling van liet bloed en het maaksel en de functie der organen, waarin de uitstorting plaats heeft, zijn ook de uitwendige verschijnselen daarvan en de gevolgen velschillend. Wij zien vermeerderden turgor en congestie, wanneer de hoeveelheid van het uitgezweete plasma gering is, ontstekingachtige of sereuze uitstorting en infiltratie, wanneer het zich in grootere hoeveelheid in holten of parenchymateuze organen ophoopt, vermeerderde secretie, wanneer het zich op de oppervlakte van afscheidende vliezen uitstort. Wanneer het bloed in massa stilstaat en het plasma de vaten verlaat, dan grijpen daarin, zoowel als in de bloedligchaampjes, eigendommelijke veranderingen plaats, die voor een gedeelte van de verschijnselen en de uitgangen der ontsteking de voorwaarde uitmaken (2).

Wanneer ik dien ten gevolge verlamming der haarvaten als' naaste oorzaak der congestie en ontsteking, der uitzweeling in het algemeen beschouw, zoo mag ik de tegenwerping niet vreezen, dat aan de fijnste vaten juist het contraciile vlies ontbreekt. Het gevolg is hetzelfde, als de fijnste takjes door den aandrang van het bloed slechts passief uitgezet worden; en als zij in het geheel niet voor

(1) KAlTEfiBRUNNER, Experimenta circa statuin satiguinis, p. 36; BaüMGürt-

ner, Nerven utid Blut, S. 109; Koen in Meckel's Archiv, 1832, S. 123; Emmert, t. a. p.

(2) Zie mijn Jahresbericht, MiiltER's Archiv, 1039, S. XXVI.

19*

Sluiten