Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sleldheid der bloedwei of van het plasma aihangt, waardoor dit in de wanden der fijnste vaten niet meer wordt teruggehouden.

De eerste bloedvaten ontstaan, volgens de oudere opgaven, in eene laag tusschen de beide platen van het kiemviies, in de zoogenaamde Taaiplaat, daardoor, dat de zelfstandigheid van deze plaat voor een gedeelte vloeibaar wordt en zich in eilandjes en rivieren scheidt, volgens Yalentin (1) zoo, dat de vaatplaat zich op zekere punten verdikt, op andere wegsmelt, en zich openingen vormen, waarin de slijmplaat en de bovenste zamenhangende dojerlaag zich kussenvormig plaatsen. Deze kussens zouden het zijn, die men voor eilandjes van de zelfstandigheid der vaatplaat heeft aangezien; de bijeenverzamelde, door vervloeijing der vaatplaat ontstane, doorschijnende vloeistof tusschen de kussens zou zich vervolgens scheiden in de lichte vaatwanden en hunnen inhoud, het bloed. Schwann (2) beschrijft het ontstaan der haarvaten in het kiemviies op de volgende wijze. Onder de cellen, waaruit het kiemviies beslaat, vormen er zich eenige op zekere afstanden van elkander gelegene, door verlenging naar verschillende kanten toe tot stervormige cellen, de primaire haarvaten-cellen. De vei lengingen van verschillende cellen raken aan elkander, groeijen aan een , de tusscbenscholten worden opgeslorpt, en zoo ontstaat er een net van zeer ongelijkmatig dikke kanaaltjes, daar de verlengingen der primaire cellen veel dunner zijn dan de cellen-ligchaampjes. Deze verlengingen of verbindingen der cellen-ligchaampjes zetten zich echtei uit, tot dat zij gemeenschappelijk met de door den groei zich vernaauwende cellen-ligchaampjes eene gelijke dikte bezitten, en derhalve een net van gelijk dikke kanaaltjes vormen. De bloedvloeistof is de inhoud zoowel der primaire als der ineengesmoltene of secundaire haarvatencellen. Zij is, na eenen broeitijd van ongeveer 56 uren, van eene geelachtig roodachtige kleur; om dezen tijd ziet men nog enkele, onregelmatig stervormige cellen, die met het net nog niet schijnen zamen te hangen, en bij de

(1) Entwickelungsgesch. S. 288.

(2) MikrosJt. Unters. S. 138.

Sluiten