Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die binnen in de haarvatencellen zijn ontstaan, Valentin als de kernen der haarvatencellen, terwijl hij aanneemt, dat de in de wanden der vaten liggende kernen later gevormd zijn. Het epithelium, dat het eerst binnen het primaire vaatvlies voorkomt, zouden beide voor endogene vormsels moeten verklaren. Hoe waarschijnlijk intusschen ook de theorie is, en hoezeer zij ook door de analogie met de stervormige pigmentcellen ondersteund wordt, zoo blijven er toch nog vele punten van twijfel over. Yooreerst moet de verbinding en de gemeenschap der holte van het haarvatennet met de grootere vaten worden nagegaan, daar men toch niet wel kan aannemen, dat ook de vaatstammen, en zelfs het hart, slechts verwijde en met het haarvatenstelsel gemeenschap oefenende cellen zijn. Misschien zijn het intercellulaire gangen, waarin de haarvaten zich openen, even als ook plantencellen in tusschencel ruim ten uitmonden (1). Eene tweede zwarigheid is daarin gelegen, dat de kernen van het primaire vaatvlies, die Scüwann voor de kernen van aaneengerijde cellen houdt, ten getale van twee, en zelfs meer, naast elkander kunnen liggen. Dit zou voor Valentin's meening pleiten, dat reeds de kernen van het primaire vaatvlies het begin eener nieuwe buitenste laag aanduiden, wanneer zij niet zoo dikwijls in den teederen wand volkomen ingesloten waren, en zelfs in het lumen uitstaken. Het is mogelijk, dat de beide soorten nevens elkander voorkomen, kernen der oorspronkelijke cellen en pasgevormde, of dat de cellen, waaruit haarvaten ontstaan, ook paarswijze en meer naast elkander kunnen liggen en zich zijdelings in elkander openen. Eindelijk blijft, wanneer het opgegeven ontwikkelings-principe in de hoofdzaak juist is, nog hierbij te voegen, dat het aantal van cellen, die zich stervormig vertakken, slechts gering zijn kan met betrekking tot het aantal der cellen, die onmiddellijk en onvertakt in elkander overgaan. Tot dit resultaat komt men na de beschouwing der haarvatennetten (PI. III, fig. 7) en door de schatting van de groote hoeveelheid kernen, die in een stammetje, b. v. in a, achter elkander liggen. Volgens de uitspraak van Reiciiert (2), die nogtans door zijne waarnemingen

(1) SCHWANN , Mikrosk. Vnters. S. 190.

(2) EntwicJeelungsleben, S. 23, "4, 137 en toIj.

Sluiten