Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Er ontstaan niet alleen in het foetus nieuwe haarvaten, maar ook in de deelen, die na de geboorte nog groeijen, zoo als reeds

vaatvorming in den staart van Iritonlarven de opgaven van Prevost en Lebert. Haarvaten schijnen nergens in het parenchyma onafhankelijk, maar steeds slee Is als uitwassen van reeds aanwezigen te ontstaan. Men vindt haarvaten, die p otseling, even als Winde zakken eindigen. Aan velen gaat van dit stomp uiteinde een dun, lang verlengsel uit, dat zich onmerkbaar verliest, en aan anderen ziet ■men, hoe 2 zulke uilloopers zich tot eenen geineenschappelijken hoog vereemgi hebben, die allengs in doormeting toeneemt. Zeer vroeg merkt men daaraan de dubbele omtrekken van eenen bijzonderen wand op, maar nergens celkernen, en de kernen, die in de voltooide haarvaten zigthaar zijn, moeten dien ten gevo ge in een later ontwikkelingstijdperk daarbij komen; zij kunnen geene kernen zijn van cellen, waaruit de haarvaten zich door ineensmelting gevormd hebben.

Bischoff (Eniwichelung d. Hunde-Eies, S. 941 sloot zich, nadat hij stervor mig vertakte cellen tussehen de slijm- en weivliesplaat van het kiemvlies aan een hondenei had waargenomen, ten opzigte van de ontwikkeling der vaten aan de meening van Schwann aan. R. Wagner (Physiologie, 1845, p. 162) deelde eene waarneming mede, die de boven medegedeelde meening van Piatner bevestigt: er kwamen namelijk bij kikvorschlarven hoekvormige (en blind eindigende? Menie) verlengscls aan haarvaten voor, waarin somtijds enkele ïnge-

drevene bloedligchaampjes bleven steken. Door soortgelijke feiten meent evenwe Köllïker (Zeüsehr. ƒ. rat. Med. 1845, IV, S. 118), dat dc meening van Schwann niet wordt wederlcgd, daar men slechts behoeft aan te nemen, dat e cellen, die de haarvaten vormen, ook nog na de ineensmelting de geschikthei bezitten om verlengsels af te geven. In de volgende voorstelling meent hij dc verschillende, elkander voor een deel tegensprekende opgaven tot een geheel te kunnen brengen, met uitsluiting van de in elk geval onhoudbare meening van ReIcbert, dat het bloed, door het hart voorgestuwd, zich in het losse parenchyma zelf eenen weg baant: de eerste vaten, die zich vormen, ook wanneer zij de doormeting der latere haarvaten niet te boven gaan, zullen vaste cellenmassa's zijn, die "door geene grenzen van de omgevende, gelijkvormige cellenmassa zijn gescheiden. Eerst langzamerhand, te gelijk met een proces van vloeihaarwordinginde as, zou eene begrenzing der vaatwanden plaats hebben; de wanden zullen vezelig worden en door opstapeling en inmenging van nieuwe vezels groeijen. In de tusschenruimten tussehen deze primaire stammen zullen uit stervormige cellen de latere haarvaatnetten ontstaan, uit cellen, wier stervormige verlengsels zich gedeeltelijk in elkander, gedeeltelijk in de primaire stammen door resorptie zouden moeten openen. Köluker geeft overigens loe, dat deze stellingen misschien niet voor alle dieren gelden, daar hij Sepia ook groote, oorspronkelijke vaten met slructuurlooze wanden voorkomen, en dat er misschien vaten bestaan, die uit ïneengesmoltene cellen gevormd en vervolgens van huiten met vezels bedekt zijn, namelijk de aan de haarvaten grenzende vaten met vezelige wanden, die als binnenste laag een structuurloos vlies bezitten.

Sluiten