Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vlies gelijken, maar zich daardoor onderscheiden, dat hare verbindingen menigvuldiger zijn, en dat ze weinig neiging vertoonen om zich boogvormig te krommen (daardoor zijn inderdaad de kernvezels van het kringswijs vezel vlies van de eigenlijk elastische onderscheiden). Naast deze vezels zou men enkele, spaarzame celweefsel bundels zien; misschien zijn de cigendommelijke gegranuleerde vezels daarvoor gehouden. Van de ringvormige bindweefsel vezels der aders, die bij den mensch eene zeer dunne laag vormen, merkt ook Schwann op, dat zij zich van het gewone bindweefsel door scherperen omtrek en scherp afgeteekende uiteinden onderscheiden, en dat zij dunner zijn. Eülenberg geeft in fig. 5 eene afbeelding van de vezels van het eigenlijk elastische vlies der aders, die een netvormig \Iies zamenstcilen, dat zich onder het mikroskoop dikwijls ook geplooid voordoet, in fig G als vezels van het middelste slagadervlies nogmaals eene afbeelding van de elastische, in fig. 8 eene voorstelling van de kernvezels van het overlangsveiclvlies der aders, waarbij het eigenlijke weefsel is over het hoofd gezien. Bij de meting der slagadervezcls zijn intusschen ook de cigendommelijke gegranuleerde vezels er mede ondergeloopen. Veel juister beschrijft onder Pürkinje's leiding RaüSCDEL [De arleriarum et *venarum structura, 1836) de cigendommelijke vezels van het kringswijs vezelvlies, maar stelt ze op éene lijn met Scuwana's elastische; zoo komt het, dat hij de anastomoses der vezels ontkent, dieScnwANN gezien heeft, dat hij de kernvezels en kernen op de eigendom meiijke vezels, alzoo Scüwaisjn's elastische vezels van het middelste vlies, voor een kanaal der clastitische slagadervezels verklaart, dat nu en dan onvolkomen en slechts uit eene rij van puntjes zamengesteld zou zijn; vandaar komt het eindelijk, dat hij de doormeting der elastische vezels veel dikker aanneemt dan Scdwanjv, met name op 0.00G25' ', dat zeker ook voor de eigenlijke slagadervezels steeds nog de helft te dik is. De grond der dwaling is daarin gelegen, dat de vezels, die gemeten werden, niet waren geïsoleerd. Voor het overige houdt ook Rüuscjiel de eigendommelijke vezels der slagaders voor overeenkomstig met de elementaire vezels der gele banden: behalve de cigendommelijke vezels zou in de slagaders en aders eeneweeke fihra cellulosa worden gevonden, die de cigendommelijke vezels verbindt en in de aders peesachtig weefsel. Tot de tela cellulosa brengt Rüüschel ook de stukken van het gestreepte vlies, die in de aorta tusschen de afzonderlijke lagen van het kringswijs vezelvlies voorkomen (S. 12), en in de kleinere slagaders het overlangs-vezel vlies, dat zich in dwarse doorsneden als eene lichte streep tusschen het gestreepte eri het kringswijs vezelvlies voordoet (S. 13). Van de kleinste slagaders geeft RaüscnEL, overeenstemmend met Trevjranüs (Beitriïge. II, fig. 75) op, dat men daaraan zoo wel de overlangsche vezels van het buitenste, als de dwarse vezels van het middelste vlies onderscheidt; hij merkte de rij van kogeltjes langs den rand op, maar vermoedt niet zeer juist, dat zij door de krommingen der dwarsvezels ontstaan, die van den voorsten wand op den achtersten overgaan, daar zij veeleer door de kromming van de kern der dwarsvezels worden voortgebragt. Zij zouden nog aan slagaders van de doormeting van een bloedligchaampje duidelijk zijn waar te nemen (?), en daardoor zouden de fijnste slagaders van de aders nog zijn onderscheiden, waaraan die dwarsstrepen zouden ontbreken. De vaten der fijnste plexus verklaart RaüSCHEL om die reden alle voor aders. Aan de slag-

Sluiten