Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoo volkomen en zeker, als het capillair stelsel der bloedvaten. Alle methoden, waarvan men zich bij het onderzoek der laatsten bedient, laten ons bij de eerste in den steek. Opvulling met gekleurde zelfstandigheden, van de stammen uit, is wegens de klapvliezen even zoo min mogelijk, als eene opvulling der bloedvoerende capillaire vaten van de aders uit, en ook de natuurlijke inhoud der lymphevaten onttrekt zich door zijne kleurloosheid aan de waarneming (1).

Slechts in het darmkanaal vinden wij gelegenheid om den oorsprong der lymphevaten te leeren kennen, als zij gedurende de spijsvertering met chyl gevuld zijn, welks korreltjes en droppeltjes er eene glinsterend witte kleur aan mededeelen. Ilier verhouden zij zich op de volgende wijze:

De binnenvlakte van het dunne darmkanaal is bij den mensch en vele zoogdieren met vlokken, fijne en digt opeengedrongene aanhangsels bezet, die in water worden opgezet en aan de geheele oppervlakte een lluweelachtig aanzien geven. De vlokken zijn in ledigen toestand plat, deels haarvormig, lang en smal en zelfs met eene verdunde basis, deels klapvliesvormig met eene breede basis en eenen gebogenen vrijen rand. Wanneer hare lymphevaten opgevuld zijn, worden de smalle vlokken cylindrisch. De lengte dezer aanhangsels bedraagt 0,25—0,55 ", de doormeting der cylindrische 0,07—0,08"'. Zij zijn door het slijmvlies van het darmkanaal gevormd. dat, met een cilinder-epithelium bekleed, even als de vinger van een handschoen of als eene smalle plooi in de holte van het darmkanaal vooruitspringt. De smalle vlokken bezitten eene eenvoudige, centrale uitholing, die aan de punt blind, somtijds eenigzins kolfachlig verwijd begint, en in de as tot aan de basis loopt; de breede vlokken bezitten óf ingelijks een eenvoudig kanaal, dat aan den eenen kant gesloten begint en langs den gebogen rand heengaat, om zich aan den anderen kant in de diepte te verliezen, óf twee kanalen, die naast elkander op het hoogste gedeelte der plooi met blinde, dikwijls rankvormig gekromde punten ontspringen , en, van daaruit divergerende , elk digt

(1) Vergelijk de noot op bl. 320.

Sluiten