Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

phevat gevuld was. Lymphevaatjes van 0,02—005'" gingen ook van sommige LiEBERKüihVsche klieren uit (1).

(1) In de vlokken vonden L. Mandl (Annt. microsc. 1845, I, 231) en A. F. Güntber (Lehrb. d. allg. P/u/s. 1345, S. 490) een centraal cliylvat, dat zich, volgens Mandl, in twee blinde, zakvormige uiteinden zou verdeel en. Günther geeft in Taf. IV, fig. 17, eene afbeelding van zulk een vat, dat aan bet uiteinde in eene dikke arnpulla verwijd is 5 maar de afbeelding schijnt, zoo als HemE (Jahreshericht, 1846, S. 71) meent, niet naar de natuur te zijn genomen, maar uit anderen zaïnengesteld. R. Remak (Dicignost. und palhogenet. Unters. 1845, S. 108) zag in de darm vlokken van een konijn de met chyl gevulde vaten boogvormig langs den rand der vlok loopen; dat hij naar de waarnemingen van Henle een vat in het centrale gedeelte der vlok dacht te vinden, is niet Henle's schuld; daar deze laatste (verg. h. b. bl. 317) uitdrukkelijk zegt, dat slechts de smalle vlokken een centraal, de breede vlokken daarentegen een langs den rand loopend chylvat bezitten. De vlokken der knaagdieren zijn echter, zoo als bekend is, nagenoeg altijd breed, bladvormig (zie IIenle's Jahresh., 1846, S. 61).

Aan de punt der darm vlokken van den mensch vond E. V. Web er (Archiv. d unat. génér. et de phys. 1846, p. 14) dikwijls onder de spijsvertering 2 groote met chyl gevulde cellen, die met kleinere cellen gevuld en met epitheliurn bekleed waren. Beide kwamen in aanraking met elkander: de eene bevatte eene vette en doorschijnende, de andere eene witte en ondoorschijnende (maar ook vette? Henle) zelfstandigheid. De meeste darmvlokken van den mensch bevatten, volgens hem, slechts één lymphevat; onderscheidene en anastomoserende lymphcvaten worden, in de breedere vlokken gevonden. Indien de vlokken zich aan haar vrij uiteinde verdeelen, dan doen dit ook de chyl vaten en geven een tak naar elk gedeelte der vlok af. Zeer kleine watervaatlakken, niet dikker dan de capillaire bloedvaten, ontspringen uit de even genoemde vaten; haar net is even zoo digt als de blocdvaatnetten. Als zij met chyl gevuld en uitgezet zijn. dan maken zij de vlok ondoorschijnend; zij zouden daardoor aan vele ontlecdkundigcn zich als eenvoudige ampullae hebben voorgedaan.

Op de volgende wijze beschrijft E. H. Weber (Müller's Arcliiv, 1847, S. 400) de chylvaten van het darmkanaal: De chylvatcn, die in de tunica propria der darmen van den mensch naast de aders liggen, geven in de darmvlokken takken af, die zich daarin in kleine takken verdeelen en eindelijk een net van chylvaten vormen, welks tusschenruimten minstens evenzoo naauw zijn, als die van bet haarvatennet, dat de slagaders en aders verbindt. De doormeting der lïleinste buisjes van dit net is ten minste even zoo klein als die der bloed voerende haarvaten. Een soortgelijk net nam de schrijver waar in de tusschenruimten tusschen de darmvlokken in een geval, waarin de chylvaten zeer volkomen met chyl gevuld waren; aan de wanden der lieberkünn'sche klieren vond hij daarentegen zulke met chyl gevulde vaten niet.

Vert.

Sluiten