Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nog moeijelijker dan op de vliezen is de bereiding der lymphevaten in het parenchyma der organen, vooral daarom, dat de massa, die Ier injectie gebezigd wordt, niet verhardt, en dien ten gevolge bij elke proef ter bereiding terstond uitvloeit. Wij moeten ons vooreerst daarmede vergenoegen, te weten, dat ook uit het vormlooze bindweefsel, uit de klieren, de spieren, zelfs de beenderen, watervaten ontstaan. In de klieren oefenen de dieper gelegene watervaten met de oppervlakkige gemeenschap en hunne stammen komen aan den hilus met de stammen der oppervlakkige vaten bijeen, zoo als dit het naauwkeurigst van de testes door Panizza beschreven is (1). De watervaten in het

corpus cavernosuiri van den penis hangen met die der uitwendige huid aan de punt van den eikel zamen (2). Cruikshank (5) zag watervaten in het ligchaam van eene rugwervel ingaan, en hunne takken zich door de zelfstandigheid van den wervel verspreiden, eene waarneming, die Sommering (4) en Bonajiv (li) bevestigen. Zij kunnen, zoo als van zelf spreekt, slechts in de mergkanalen liggen (6). Even als de bloedvaten verspreiden zich de watervaten in de tusschenruimten der orgaandeelen, zonder intusschen, zoo het schijnt, zoo ver in te dringen als de bloedvaten; zij behooren alzoo het naast tot hel vormlooze bindweefsel, liet bindweefsel is echter niet de eenige en uitsluitende drager der

liuid); Biïeschet, Syst. lymphat. PI. I, lig. 7—13 (slijmvlies), PI. II, fig. 1 (sereus vlies van liet hart, naar eene teekening van Lactü), fig. 2 (endocardiurn); Panizza, Osservazioni., Tab VI—-VIII (tunica vaginalis); Arnold, Tab. anaft Fase. I, Tab I, fig. t, 2. Tab. II, fig. 1, 1 (hersenvliezen), Fase. II, Tab. II, fig. 7 (conjunctiva), Tab. IX, fig. 15 (lederhuid); Fohmann, Mém. sur les vuisseaux lymphat. Pl. J, II, (lederbuid) PI. III, VI, VII (slijmvlies), PI. VIII (opper vlakte van bet hart), Pl. X (araclinoidea).

(1) Osservaz. p. 23.

(2) t /.. p., p. 17.

(3) Etnsaugentle Gefiisse, S. 172.

(4) Anat. IV, 501.

(5) Breschet , Sysl. lympkat. p. 40.

(6) Gros (Co nipt. rend. 1846, '1'. XXIII, p. 110G) houdt dc aanwezigheid van watervaten in de beenderen, ten minsteinde mergkanaaltjes, voor buiten twijfel.

vert.

Sluiten