Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

begin van het chylvat gevonden wordt. Zoo er nelten dei chylvaten aanwezig waren, moesten ook eenige kernen schuins en dwars loopen ; dit komt niet voor; daarentegen heb ik somtijds eeiie rangschikking der overlangs-ovale kernen gezien, die ik niet geheelenal weet te verklaren.

Er deden zich namelijk, op eenigen afstand van de punt, aan ééne of beide zijden van het middelste kanaal soortgelijke en eveneens overlangs liggende kernen voor, die door eene aanzienlijke tusschenruimte van het middelste kanaal waren gescheiden, vrij digt aan den rand der vlok, somtijds afzonderlijk, somtijds ook in rijen achter en naast elkander (be). Men zou kunnen vermoeden, dat hier kleinere, aan het middelste kanaal evenwijdige buizen verder naar achteren ontstonden en digter langs den buitensten omtiek heen liepen; maar het laat zich ook denken, dat het centrale vat zich terstond na zijn ontstaan snel en tot aan den rand der vlok verwijd heeft, en dat de grootere tusschenruimte tusschen de overlangs-ovale kernen slechts iets toevalligs was.

De verdere ontwikkeling der vliezen heb ik aan de opslorpende vaten niet zoo nagegaan, als aan de bloedvaten•*, maar het laat zich verwachten, dat zij volgens dezelfde wetten plaats heeft. De grootere lymphevaatstammen en de ductus thoracicus zijn op de volgende wijze zamengesteld.

De eerste of binnenste laag wordt gevormd door een plaveiselepithelium, dat zich even zoo verhoudt, als het epithelium der bloedvaten, en door een homogeen vlies met celkernen kan worden vervangen. De tweede laag laat zich, te gelijk met het epithelium, in zeer fiine draden en strepen aftrekken, is dien ten ge¬

volge een overlangs-vezelvlies; zijne elementen komen grootendeels met de bindweefselbundels overeen, en bezitten ook fijne, niet vertakte, maar zeer sterk gekronkelde en gewondene kernvezels; voor een deel en vooral in de binnenste laag bezitten zij het uitwendig voorkomen van de gegranuleerde vezels van het middelste slagadervlies, en zijn evenzoo van kernen en donkere overlangsche strepen voorzien, die terstond tot eenvoudige kernvezels ineensmelten, maar geen takken afgeven en geen net onder elkander vormen, ook niet zoo breed worden als de kernvezels van het overlangs- en kringswijs-vezelvlies der bloedvaten. Eindelijk

Sluiten