Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vormige vlek in het midden, eene eenigzins bultige oppervlakte, zijn somtijds met een bleek en naauw omhulsel omgeven, en blijven in azijnzuur onveranderd. \ele waarnemers vonden na het uitwasschen en droogen der lympheklieren holle, celachtige ruimten daarin, wijder dan de fijnste lymphevaten , die met elkander in verband stonden; het komt mij zeer waarschijnlijk voor, dat deze ruimten de ronde ligchaampjes bevat hielden, die ik met de acini vergeleek. Wat de beteekenis der cellige ruimten en dezer korreltjes aangaat, zoo zijn twee verklaringen mogelijk: 1. de ruimten zijn varicositeiten der lymphevaten zelve; de vloeistof, die zij bevatten, is lymphe ; de naar acini gelijkende ligchaampjes.moesten alsdan placenta der lymphe zijn. Daarbij zou hun regelmatige vorm moeijelijk te verklaren wezen. Ook zijn de ronde korreltjes, waaruit zij bestaan, wel is waar soortgelijk aan de ligchaampjes der lymphe en hunne kernen, maar zij onderscheiden zich toch daardoor, dat zij niet door azijnzuur in elementaire korreltjes gesplitst worden, zoo als de meeste lymphe-ligchaampjes zonder omhulsel, en zelfs die, welke met eene schaal omgeven zijn. 2. De lymphe-vaatnetten loopen tussclien de acini heen; deze, door wanden uit bindweefsel gescheiden, stellen alsdan het eigenlijke parenchyma der klier zamen ; dit parenchyma moesten die waarnemers, die de cellen gezien hebben, vooraf hebben uitgewasschen. In het eerste geval zou het maaksel der lympheklieren zich niet wezenlijk van het maaksel der wondernetten onderscheiden; volgens de tweede voor het oogenblik meer waarschijnlijke meening komen zij meer met de zoogenaamde bloedvaatklieren , milt, thymus, enz. overeen, klieren zonder uitlozingsbuizen, wier cellen eene stof bereiden, die in het bloed terugkeert (1).

(1) L. MaNdl (t. a p ) wil de lympheklieren nu eens uit gewondene kanaaltjes mei of zonder verwijdingen, dauweder uit kwahjes zamengesteld hebben gevonden. Van de eerste soort -zouden de lympheklieren der milt zijn, van de tweede die van het net.

GOODSIR (Anat. and pathulog. observations, 1845. p. 44) nam waar, dat de watervaten bij den ingang in de watervaatsklieren bun buitenst, meestal ook hun binnenst vlies verliezen; bijzondere veranderingen zou daarbij bet binnenste vlies ondergaan: het zou dikker en ondoorschijnender worden en uit 2 lagen bestaan, eene buitenste, zeer fijne en eene binnenste, dikke en korrelige. De buitenste

Sluiten