Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gestold. Mojon wil zelfs eene peristaltisch voortgaande beweging aan de met cliyl gevulde lymphevaten van het mesenterium hebben waargenomen (1). Maakt men in een onderbonden lymphevat eene kleine opening, dan spruit de inhoud in eenen straal uit, zoo lang er in de vaten leven aanwezig is, terwijl na den dood de chyl slechts droppelswijze uitvloeit (2). Ook dit zou het gevolg der stremming kunnen zijn. Blootgelegde lymphevaten vernaauwen zich, tot dat zij volkomen gesloten zijn (5). Niet alleen bijtende chemische zelfstandigheden brengen contractiën der lymphevaten voort. Meckel zag ze na aanwending van warm water, Sciireger op mechanische prikkeling ontstaan (4). Valehtifj kon daarentegen na prikkeling met het mes en aanwending van koud water geene zamentrekkingen aan lymphevaten opmerken. J. Muller (5) liet op den ductus thoracicus eener geit eene sterke galvanische kolom werken; hij zag geene zamentrekking, maar na eenigen tijd scheen de buis op deze plaats iets naamver, en vertoonde onderscheidene zeer onbeduidende insnoeringen. Dit zou, wanneer het een gevolg 'der galvanische prikkeling' was, des te merkwaardiger zijn, daar de vliezen der bloedvaten op galvanismus niet reageren.

Na dit alles is wel is waar de irritabiliteit der lymphevaten nog geene uitgemaakte zaak ; komt echter bij het niet geringe aantal van bevestigende waarnemingen nog de overeenkomst van het maaksel der lymphevaten met de aders, dan mag men vermoeden, dat voortgezette proefnemingen gunstig voor de irritabiliteit der eerste zullen beslissen, vooral wanneer zij worden in het werk gesteld in de verwachting, van eene langzaam toenemende en op dezelfde wijze weder afnemende vernaauwing van het lumen en geene snelle zamentrekking, als in de animalé spieren, te zien. Een grond te meer daarvoor is daarin gelegen, dat zonder haar de vochtbeweging door de lymphevaten thans een onoplosbaar raadsel zou zijn.

De verrigting der lymphevaten is, vloeistoffen en daarin opge-

(1) Ann. d. sc. nat. 2C Sér. II, 230.

(2) Tiedemann und GsiELirf, Vers. ü. tl. IV., S. 23, 67.

(3) Siieldon, Absorb. syst. p. 27;'Tiedemann und Gjielin, t. a. p., S. 33; Valentin, Repert. 1337, S. 244.

(4) De irrilabilitate vasorum Itjmphaiicorum, p. 40.

(5) Physiol. I , 275.

Sluiten