Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van het onderscheid in de resorptie door aders en watei vaten.

Men kan bewijzen, dat het bloed in het haarvatenstelsel geen vloeistof opneemt, maar afgeeft; want daar aan het hart altijddoor vochten toegevoerd worden, zou de bloedmassa in het oneindige aangroeijen 3 wanneer niet op de plaatsen, waar de vaatwanden permeabel zijn, een gedeelte van den inhoud weder naar buiten trad. De aders slorpen derhalve niet op dezelfde wijze als de lymphevaten op, dat is, er dringt geen vloeistof, en met name geen water, van buiten af in haie holte. De stoinn echtei, die opgelost in de vloeistoffen binnen en buiten de wortels der aders bevat zijn, wisselen met elkander bestanddeelen, volgens de wetten der endosmose , en wanneer alzoo ook plasma naar buiten doorzweet, en wel een des te meer waterachtig plasma, naarmate de in het parenchyma bevatte vloeistof meer is zamengedrongen, zoo worden toch te gelijk opgeloste stoffen van buiten opgenomen. Slaat men alleenlijk acht op de hoeveelheid der vloeistof, dan grijpt in de aders altijd uitzweeting plaats, geen opslorping; alleen opgeloste gassoorten of vaste stoffen, zouten, vergiften , die in de interstitiën •van het parenchyma bevat zijn, gaan daarbij in het bloed over, en maken hunne werking door het bloed kenbaar. Ook vet wordt uit den chym in de bloedvaten van het darmkanaal opgenomen (1). Zulk eene opslorping moet natuurlijk ook dan voortduren, wanneer de ductus llioracicus onderbonden is (2), of wanneer de lymphevaten van een deel onderbonden en doorgesneden zijn , en dit alleen nog door bloedvaten met hel overige organisme zamenhangt, zoo als in de proeven van Magendië en Delille (5). De opslorping door aders moet ook veel vroeger hare werking uiten, dan die door de lymphevaten, omdat van de plaats der opslorping het bloed vroeger dan de lymphe naar het hart en verder naar de organen gevoerd wordt. Blaauwzure potasch, die in de longen gespoten was, vond Mayer reeds na 2—5 minuien in het bloed , en veel vroeger

(1) Meckel, De vasis lympliat. p. 13; TlEDEJUKN und Gmeun, Vers. iiber die If'ege, S. 8, 13; Westrcmb, Eimaugungskr. der Venen, S. 22.

(2) Brodie, Reil's ArcJiiv, XII, 162.

(3) Meckel's Arcliiv, 1816, S. 250; bevestigd door Emmert en R.ipr, 1.1 p. 1018. S. 192.

Sluiten