Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoo even vermelde proef het blaauwzuur zicli na eene digestie van 70 uren met de dierlijke vloeistoffen in de wond, ia Scii.vell s proef liet strychine zich na 8 uren onveranderd toonde; het tweede is onwaarschijnlijk, daar de vliezen der lymphevaten van die der bloedvaten niet verschillen, en alzoo voor dezelfde zelfstandigheden permeabel moesten zijn: nu blijft de derde onderstelling nog over. Wanneer de beweging der lymphe door zamentrekking der vaalvliezen plaats heeft, dan houdt zij op, zoodra invloeden veihunmend op de vaatvliezen werken; dat nu narcotische vergiften de bewegingen van het hart verlammen, vooral wanneer zij op deszelfs binnenste oppervlakte werken , is door de proeven van Muller en IIenry (1) bekend. Op deze wijze zou zich niet alleen het uitblijven der vergiftigings-toevallen in de aangevoerde experimenten laten verklaren, maar ook een argument voor de musculeuze natuur der lymphevaten laten bijbrengen. Men moet alleen de eerste proef van Emmert met die wijziging in het werk stellen, dat het ijzerzout en het vergift in dezelfde schenkelwond gebragt worden. 15ij de aders is het oin het even, of haar spiervlies dooi de aangebragte vergiften verlamd wordt, al dan niet. De beweging grijpt dan langzaam plaats door de verwijding der kanalen; maar zij grijpt toch plaats door den stoot, die van het hart uitgaat. Metaalaardige vergiften verstoren misschien door scheikundige ontleding de werkzaamheid der lymphevaten, wanneer zij zamengedrongen worden aangewend, liet zou alzoo op de hoeveelheid aankomen, die voor de proef gebezigd werd; van daar de verschillende resultaten der proeven.

Uit deze beschrijving van de opslorping door aders blijkt gelijktijdig, dat wij, ondanks den bewezen overgang van zouten en vergiften onmiddellijk in het bloed, aan de bloedvaten desniettemin de geschiktheid moeten ontkennen om extravasaten, hydropische vloeistoffen, etter enz. op te nemen; of het moest zijn eenigermate in de zeker zeldzame gevallen, dat hunne digiheid geringer zou zijn dan die van het bloed. Het nut der aderlating ter bevordering der opslorping, dat men gewoon is als een bewijs voor eene opslorping door aders aan te voeren, laat zich op eene

(1) Zie miuler's Physiol. i, 192.

Sluiten