Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Over de verrigting der lympheklieren kunnen wij, bij de gebrekkige kennis van haar maaksel, tot geen bepaald inzigt geraken. Zijn zij bloote vaatklieren, dan bestaat haar nut hoofdzakelijk slechts in eene vertraging van de beweging der lymphe, en daar de lymphe het cytoblastema is, waarin de bloedligchaampjes zich vormen, zoo zijn zij als het ware voorbereidingsklassen, waarin de jonge bloedligchaampjes vertoeven, oin rijper geworden in het bloedleven te treden ; daarnevens zal altijd eene uitwisseling door endosmose plaals hebben tusschen de lymphe en het bloed der vaten, die zich in den wand der watervaten verspreiden, waardoor het bloed dunner en de lymphe meer zamengedrongen wordt. Bestaat er echter in de lympheklieren eene bijzondere klierzelfstandigheid, dan is zoowel haar produkt, als tic wijze, waarop dit in de lymphe of het bloed overgaat, verder uit te vorschen. Men voelt zich geneigd, aan de lympheklieren nog eene bijzondere beteekenis toe te schrijven, omdat zij bij ontstekingen en na de opneming van zekere, met name dierlijke vergiften eene bijzondere sympathie kenbaar maken, en in de klierziekte zelfs primair en zelfstandig schijnen ziek te kunnen worden. Maar dit alles levert volstrekt geen bewijzen. Bij de ontsteking stort zich een dikker, tot het voortbrengen van cellen waarschijnlijk in eenen hoogeren graad voorbeschikt plasma uit, te gelijk in vermeerderde hoeveelheid in het parenchyma, en zoo ook in de beginsels der lymphevaten ; de wijdere lymphevaattakken en stammen ondergaan daardoor geen nadeel; zoodra de stammen zich echter weder in capillaire netten oplossen, zoo als in de klieren, komen ook de nadeelen te voorschijn, die op eene ziekelijke verhouding van de wijdte der buizen tot de dikte der vloeistof en tot haren rijkdom aan vaste ligchaampjes berusten. Om die reden lijden de lympheklieren ook alleen bij ware ontstekingen, waarin de hoeveelheid van het exsudaat door atonie der vaten vermeerderd en de neiging tot vorming van nieuwe cellen in het plasma groot is, en niet bij uilzweetingen van hydropischen aard ten gevolge van verminderde digtheid van het bloed. Hare verhouding bij ontsteking en bij ontstekingaardige toestanden is om die reden een gewigtig, nog niet in voldoende mate erkend, diagnostisch moment. Bij de opneming van dierlijke vergiften, b. v. na verwondingen aan lijken,

Sluiten