Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn de klieren niet alleen betrokken; zij zijn liet slechts liet eerst, omdat de schadende stof er het langst in vertoeft; maar het h;mgt slechts van de hoeveelheid af, dat ook de lymphe-vaatstammen en eindelijk zelfs de aders ontstoken worden. Als grond der klierziekte wordt, volgens een geprezen stelsel, eene overwegende ontwikkeling van het lymphatische stelsel opgegeven. Of zich daarmede eene bepaalde voorstelling laat verbinden, wil ik niet uitmaken. Zeer opmerkingswaardig komt mij echter eene door yelpeau in het werk gesteld onderzoek (1) voor, waarbij het bleek, dat onder 900 scrophuleuze kinderen, die aan ontsteking der lympheklieren leden, bij 850 velerlei ziekelijke toestanden der huid en der slijmvliezen, der gewrichten en des bindweefsels werden gevonden , die aan bet klierlijden waren voorafgegaan. Zoo in de andere, zeldzamere gevallen plaatselijke ontstekings-verscliijnsels niet aangetoond werden, ten gevolge waarvan de lympheklieren ziek konden zijn geworden, dan moet men bedenken, dat ook in hel normaal afgescheiden plasma eene ziekelijk verhoogde neiging tot celvorming kan gelegen zijn, waarvan de gevolgen in het lymphesLelsel overeenkomen met de gevolgen van een ziekelijk uitgezweet plasma met normale neiging lot vorming van lymplieligchaampjes.

Omtrent de eerste vorming der lymphevalen is weinig bekend. De klieren bestaan volgens Valentin (2) bij embryones van 5—4 lengte uit kluwen van lymphevaten. De stammen aan den bals waren bij embryones van 5" lengte reeds duidelijk. In den ouderdom zouden de klieren in omvang afnemen (5); volgens oudere ontleedkundigen, b. v. Ruysch, ook in aantal; dit wordt evenwel door Cruiksiiank tegengesproken. De lymphevaten zijn voor eene vergrooting en verwijding geschikt, even als de bloedvaten, zoo als de groei der watervaten van den uterus en de borsten ten tijde der zwangerschap en der lactatie bewijzen (4). Zij verbinden zich weder bij de vereeniging van gescheidene deelen, en ontslaan met de bloedvaten op nieuw in toevallig bijkomende deelen en pseudomembranen (S).

(1) Arch. génér. 1836, Janv.

(2) Mülleh's Archie, 1836, S. 173.

(3) haller, Elem. jihys. VII, 214; crüiksiiank , t. a. p , s. 67.

(4) wrisberg, Commentat..1, 4gi.

(r>) KöUIOR {Amiales cl. sc. nat. 1816, p. 07) ontdekte de lymphevaten in

Sluiten