Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tab. 100 , lig. 2, 5 (hond); Rosentüal , N. A. N. cur. T. XV , P. 2, p. 555 (Phoca).

Over lympheharten: Panizza, t. a. p. ; Muller, Phil. transact. 1855, P. I, Arcliiv, 1854, S. 20G, 1840, S. 1, l)ie Lynipltltcrzen der Schildkröten, Berl. 1840. E. Weber, Müller's Arcliiv, 1855, S. 5515, Taf. XIII, Fig. 5—10. Valentix, Müller's Arcliiv, 1859, S. 17G.

Op den 23 Julij 1622 ontdekte Aseili aan ecnen levend geopenden Iiond de ehylvaten, als wier gemeenschappelijken slani Pecocet in liet jaar 1649 d enduclus thuracicas herkende. In 1651 werden door RüDBECK de lymphevaten gevonden, en van dezen lijd af aan aan de wal er vaten liet werk der resorptie, dat volgens de leer van Galeis aan de aders was toegeschreven, onbestreden toegekend. In den daaropvolgenden tijd hielden ziel) de waarnemers hoofdzakelijk hezig niet de uitvorsching van het anatomisch heloop der lymphevaten; de verdiensten, die zich op dit gebied Aibikds, Meckel, IIewson, Crgiksbakk, Haase en^Jascagni verwierven, zijn bekend. Over liet begin en het einde der lymphevaten, alsmede over het maaksel en de verrigting der walervaatsklieren, deed zich echter terstond \crschil van meening op, dat tot op den huidigen dag nog niet is uitgemaakt.

Daar fijne inspuitingen uit de slagaders dikwijls in de lymphevaten overgaan, hield zich een tijd lang de meening staande, dat de slagaders voor een gedeelte met opene mondjes in de lymphevaten eindigden. Nog Haller spreekt van den overgang van slagaders in watervaten. Volgens onze tegenwoordige kennis van het bloedvatenstelsel behoeft deze meening niet in het bijzonder te worden wederlegd. Of watervaten op de wanden der slagaders ontstaan, welke meening het eerst door IIajiiserger (Pht/siol. med. § 409) werd uitgesproken, is moeijelijk uit te maken, maar verklaart in geen geval de opslorping van het plasma door de watervaten, daar liet plasma slechts door de haarvaten naar buiten komt, die evenwel geen lymphevaten bezitten, en ten minste in de vlokken fijner zijn dan de beginsels der lymphevaten.

De vlokken werden van den vroegsten tijd af aan als de deelen beschouwd, waara.in de oorsprong der watervaten, meer dan ergens anders, voor de waarneming toegankelijk is. Na Aselli namen de oudere ontleedkundigen opene, opslorpende poriën aan, daar men zich zonder deze geene opneming van vloeistof kon voorstellen, maar drongen niet dieper in de beschrijving der chylvaten in de vlokken zelve in. [Iet eerst nam Brunn (Glnnd. duodeni, 1687, Ed. alt. 1711, p. 56) de vlokken zoowel in gevulden als in ledigen toestand waar; in gevulden toestand beschreef hij ze als de wortels der melkvaten, welke boven de oppervlakte van bet slijmvlies uitstaken, in ledigen toestand als buisjes. Dat de eerstgenoemde wortels en deze buisjes hetzelfde waren, werd niet door hem opgemerkt. I'eyek [Misc. phys. med. Dec. II, 1038. p. 275) onderscheidde de met chyl gevulde vlokken van de melkvaten: de laatste zouden fijner zijn, en een enkel eerst uit het zamenkomen van onderscheidene vlokken ontstaan. Ecne aanduiding van hel centrale kanaal der laatste is het eerst door Leedwenboek (O pp. IIT,

Sluiten