Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(p. 28), E. II. Web er (Uildebrandt's Anat. I, 111), Burdach [Physiol. V, 28), Meckei. [Anat. I, 225). Sommering [Anat. IV, 518), waar bij aanneemt, dat de klieren deels uit ineengekronkelde vaten, deels uit cellen beslaan, verstaat daaronder insgelijks slechts opspuitbare cellen. De genoemde ontleedknndigen merken te regt op, dat elk huisachtig orgaan, b.v. de bal, opgeblazen of opgespoten en gedroogd, er op de oppervlakte of op de doorsnede celachtig zou uitzien. Geheel 'els anders echter zijn de boven beschrevene actui, die juist na de opspuiting der klier ongevuld blijven. Daartoe behonren misschien de glomeruli van Horsen [De fabrica gland. p. 65), die noch hol zijn, noch vloeistoffen zouden bevatten, in elk geval echter de door IIevvson vermelde en afgebeelde korrelij es [E.vp. intf. III, G3), die Mascagni ten onregle voor velblaasjes verklaart (p. 45), en liet eneliijma volgens Pcrkinje [TSaturf. in PragS. 175), dat hij met de klierkorrelijes vergelijkt.

Het weefsel der lymphevaatvliezen is eerst in den laatsten tijd een onderwerp van mikroskopisch onderzoek geworden. De oudere onfleedkundigen onderscheiden twee vliezen, een glad binnenst vlies, dat hij de uitzetting bet eerst scheurt (de overlangsche vezels met het epithelium), en een buitenst, met kringswijze vezelen, die slechts na de oppervlakkige beschouwing van haar beloop door eenigen voor musculeus~ gehouden werd. Ik deelde mijne waarnemingen omtrent de heide bindweefsellagen der lymphevaatstammen in de Si/mbolae (1837, p. 1) mede. Vaiem'N ontkent [liepert. 1837, S. 213) het bestaan van bijzondere, dwars loopende vezels; het grootste gedeelte zou overlangs loopen en mazen vormen, wier ruimten door bindweefselbundels, die er in alle rijlingen doorgaan, zouden opgevuld worden. Hij beschrijft eigendommelijke, van bet bindweefsel verschillende vezels, die zich in vrijen toestand kronkelen en eene doormeting van 0,0018"' bezitten; bij het veulen bevatteden zij fijnere en niet anasfomoserende primitiefdraden. Kraüse [Anat. 2te Aufl. 1841, S. 45) vermoedt, dat dit elastische vezels zijn; daartegen pleit echter hare breedte en het splijten in fibrilleu. Waarschijnlijk zijn het de zelfde hindweefselbundels met nog onduidelijke overlangsche vezeling en scherpe omtrekken, welke ik uit de binnenste laag der lymphevaten en aders beschreven heb. De binnenste oppervlakte der vezelige midde'laag wordt, volgens Vaientin, door een dun, structuurloos, zeer vast aangegroeid vlies bedekt, dat met het door mij beschreven epithelium (MiitLER's Arcliiv, 1838, S. 128) identisch schijnt te zijn. Volgens Kraüse beslaat de tunica inlima uit meestal longitudinale, ligt gekronkelde, elkander schuins overkruisende fibrillen (de kernvezels van het overlangs vezelvlies?). Aan de door mij gegevene beschrijving sluit zich Bbons aan (Allg. Anat. 1841, S. 123); maar hij ontdekt ook enkele elastische vezels, met welken naam zonder twijfel de kernvezels zijn bedoeld.

OVER HET SPIERWEEFSEL.

Onder spieren verstaat men organen, uit vezels gevormd, die op zekere prikkels zich in de rigting der vezels verkorten. Het vermogen van zich op prikkels zamen te trekken, wordt irritabiliteit

25*

Sluiten