Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die in afzonderlijke overlangsche bundels verdeeld zijn , en zoowel over de kraakbeenderen als over het achterste vliezige gedeelte heenJoopen. Vervolgens komt eene laag Tan dwarse, gladde spiervezels voor tusschen de achterste opening der kraakbeenderen, die echler niet regtstreeks van den eenen rand des kiaakbeenigen ïings naar den anderen gaan, maar van de voorvlakte van elke kraakbeenige streep, eenige lijnen vóór zijnen rand, ontspringen. De vezels zijn eigenaardig gekenmerkt door baar licht, slijmachtig voorkomen, en dit schijnt daarvan af te hangen, dat er nagenoeg in het geheel geen kemvezels voorkomen, maar de kernen, hoewel zeer in de lengte uitgerekt, van elkander gescheiden blijven. Buiten over de spiervezelen ligt bindweefsel, met vele, onregelmatig ingestrooide dikke kernvezels. Verder op aan de luchtpijptakken en in de long, zoolang er nog kraakbeenige strepen voorkomen, behouden de vertakkingen der luchtpijp dit maaksel. Als nu hare laatste uiteinden eenvoudig vliezig worden, veranderen zich te gelijk dc overlangsche, elastische vezels der binnenste laag mede in gladde spiervezels; de buizen worden geheel en al gelijk aan de uitlozingsbuizen der klieren. Zij bestaan uit het (ilimmerende) slijmvlies, uit eene laag van overlangsche, gladde spiervezelen, wier bundels altijd nog openingen overlaten, en uit volkomen ringvormige, insgelijks gladde dwarsvezels, waarop eindelijk weder eene laag van overlangs gerangschikte bindweefselbundels volgt. Aan de fijnste bronchiaaltakken komen ook metamorphosen der kernen en vezels voor, even als in andere gladde spieren. Ik heb dit maaksel nog aan takken van 0,2 dooi meting gezien, wanneer het gelukte ze te splijten, en ook wanneer ik ze onbeschadigd onder het mikroskoop gebragt en met azijnzuur dooischijnend gemaakt had. De traanwegen, de uitlozingsbuizen der borsten en der CowpER'sche klieren bij de beide geslachten heb ik niet onderzocht; maar de laatste bezitten waarschijnlijk ook contractiele wanden, daar de melk dikwijls in een straal uit den borsttepel spuit, en het vocht der Gowper sche klieren bij de vrouw somtijds eveneens in een straal zou worden uitgedreven (1). Aan eenen uterus van den mensch met eene rijpe vrucht zag

(1) TiedïMANN, von den Cowper'schen Drüsen des Weibes, s. 1(>.

Sluiten