Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Schwann (1) zeer platte vezels, van de breedte der primitiefbundels der varikeuze spieivezelen , zonder dwarsstrepen ; Lautii daarentegen (2) bundels, welke met die van het hart overeenkwamen, met duidelijke, overlangsche strepen, zeldzame en golfvormige dwarsstrepen (5).

5. Spiervezelen met dwarsstrepen, ook gladde, varikeuze, animale spiervezelen genoemd. De roode en duidelijk vezelige spieren van den tronk en van het hart bestaan uit deze elementen. Zoo als bekend is, worden de spieren, vooral door koking, gemakkelijk in dikkere platen of prismatische vezels ontleed , en elk dezer vezels laat zich na eenige maceratie, maar ook reeds in verschen toestand, in eene groote hoeveelheid fijne draden ontleden, draden, die aan de spieren van den mensch met het bloote oog nog even zijn waar te nemen, bij kikvorschen daarentegen de dikte van een haar bereiken, hoewel er ook hier veel fijnere bestaan. Deze draden zijn de primitiefbundels der spieren; de eerstgenoemde vezels, die uit een zeker aantal van primitiefbundels zamengesteld en door bindweefselscheeden van elkander gescheiden zijn, kan men secundaire spierbundels noemen. Er bestaat een zeer geschikt middel om de spieren in hare primitiefbundels te scheiden: stukjes vleesch namelijk, welke tusschen de tanden zijn blijven zitten en gedurende eenen nacht in de vloeistoffen van den mond zijn gedigereerd, worden terstond bij de bevochtiging met water, en zoo noodig door eene ligte drukking, in fijne, regte en vrij stijve, witte draden ontleed, die zich onder het mikroskoop als primitiefbundels laten herkennen. Het beloop der geïsoleerde primitiefbundels onder het mikroskoop is of regt of gekronkeld, zeldzamer spiraalvormig gewonden. De afzonderlijke bogten der gekronkelde zijn meestal in scherpe hoeken tegen elkander afgezet, zigzagvormig (PI. IV, fig. 4, E,Fj; de hoeken der zigzagbogt zijn meer of minder puntig. De lengte eener lijn tusschen de beide

(1) Mikroskop. Vnters. S. 1G7.

(2) L'Inslitut, 1834. N°. 70.

(3) Omtrent liet voorkomen en de verspreiding der gladde spiervezelen zijn in de laatste jaren door vele schrijvers, maar vooral in den laatsten tijd door A. Kölliker , uitgebreide onderzoekingen in liet werk gesteld. K. H. Baomgürtneh (Pi'cue Untersuch. 1Ü15, S. 18) heeft aan gebradene vogelmagen opgemerkt, dat

Sluiten