Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

structuurloos en ligt gegranuleerd, vliezig omhulsel, (lat \an den vezeligen inhoud wel is te onderscheiden. Men merkt dit omhulsel op plaatsen op, waar de inhoud door drukking of uitrekking gescheurd is en zich naar de beide kanten teruggetrokken heeft, in welk geval de zamengevallene scheede zich over de plaats der breuk voortzet. Men herkent hetzelve ook aan de verhouding deibundels ten opzigle van azijnzuur. Wel is waar worden door zainengedrongen azijnzuur zoowel scheede als inhoud opgelost; aan het verdunde azijnzuur biedt evenwel de scheede een tijd lang tegenstand, terwijl de inhoud licht wordt en opzwelt. Alsdan vertoont zich de primitiefbundel aan de beide zijden door donkere lijnen begrensd, en aan het uiteinde, waar deze grenslijnen ophouden, zwelt de inhoud, als eene kogelige massa over de doorgesnedene oppervlakte uit; ook in het beloop eens bundels wordt somtijds eene plek der scheede opgelost; de inhoud vormt dan op zulke plaatsen kogelachtige of ook eenzijdige buikige opzwellingen, waaraan de donkere omtrekken ontbreken. Nogtans is, zoo als gezegd is, de scheede geenszins aan alle primitiefbundels eigen en kan aan bundels van dezelfde plaats, zonder eenigen regel, bij de eene aanwezig zijn en bij de andere ontbreken (1).

Dikwijls is de oppervlakte eens primitiefbundels met afzonderlijke, meer of minder talrijke celkernen bedekt, die door behandeling met azijnzuur duidelijk worden; zij zijn óf breed, overlangs ovaal, met kernligchaampjes voorzien (lig. 4, A,a, D,a««) , óf in langere of kortere, smalle aan de beide uiteinden toegespitste strepen uitgerekt, die halvemaanvormig- gekromd of ge¬

kronkeld zijn, even als de ligchaampjes in den wortel der haren, óf zij zijn eindelijk in rijen van 5, 4—6 kleine donkere korreltjes veranderd. De kernen liggen nu eens geheel en al uiteen, dan weder zijn zij met elkander afwisselend, of tegenover elkander aan de randen geplaatst, dan weder eindelijk liggen zij op de oppervlakte der bundels in grootere hoeveelheid, zoo als in de nevensstaande figuur is voorgesteld.

(1) Volgens J. Geri.ach (llaiidb. tl. allg. Anat. 1848, S. 100) ontbreekt liet structuurloos omhulsel aan versche spiervezels nooit. Vert.

II. 24

Sluiten