Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mogelijk is. Aan tien anderen kant komen er, zij dit dan ook al zeldzaam, toch onmiskenbaar tusschenvormen voor, die tusschen de primitiefbundels met dvrarse strepen der eerste en der tweede soort liet midden houden, bundels met donkere, lineaire strepen en smalle tusschenruimten daartusschen, andere met korrelige, afgezette strepen en breede tusschenruimten. Ook mag niet over het hoofd worden gezien, hoe dikwijls de stukken van primitiefbundels van de eerste soort scherp, dwars afgescheurd zijn, zonder dat primitiefvezels aan den rand uitsteken (I).

(1) Omtrent de oorzaak der dwarse strepen loopen de meeningen nog- zeer uiteen. Nadat Vacentin alle over dc vorming der dwarsstrepen medegedeelde meeningen van "sIandi., Skev, Gerber , Leeuwenhoek , Sciiwann, Joh. Müueh , Bncr;s en Bowmann (Wagner's Handwörterh. 18S2, S. 711 en volg.) getraelit. heeft te wederleggen, heeft hij als de zijne, die hem het waarschijnlijkst voorkwam, de volgende hekend gemaakt: de vorming der dwarsstrepen heeft haren grond in eene toevallig varikeuze gesteldheid van de primitiefdraden der spieren. Deze zijn oorspronkelijk van geene opzwellingen voorzien, maar krijgen, als vormelijke uitdrukking van eenen zekeren graad van zamentrekking, regelmatige, door korte tusschenruimten gescheidene, zeer kleine varikositeiten, die bij hare regelmatige plaatsing de vorming van dwarsstrepen in het leven roepen. Deze kunnen derhalve tot enkele spiervezeldeelen, zoowel in de lengte als in de breedte, beperkt zijn, en juist bij geheel versche spieren óf geheel en al ontbreken, óf, als zij reeds bestaan, weder verdwijnen. Dit laatste schijnt bij voorkeur onder den invloed van water plaats te hebben. Beschouwen wij de spieren, die aan een levend of nog prikkelbaar dier ontleend zijn, dan missen wij juist dikwijls de dwarsstrepen, terwijl zich óf geïsoleerde overlangsche draden, óf eene meer onbepaalde overlangsche vezeling, óf breedere, volkomene of onvolkomene overlangsche afdeelingen voordoen. Afzonderlijke spiervezelen, die dwarsstrepen vertoonen, verliezen die, vooral onder inwerking van water, onder het oog van den waarnemer, en doen zich dan overlangs gevezeld voor. Reeds deze waarnemingen en de veranderlijkheid der dwarsstrepen-vorming in het algemeen kunnen bewijzen, dat de varikeuze gesteldheid der primitiefdraden niets oorspronkelijks is, maar eerst onder zekere voorwaarden ontstaat. De dwarsstrepen vertoonen zich echter juist aan oudere spiervezels, wijngeest-praeparaten enz. standvastiger, en zij blijven bestaan tot dat de vezels door maceratie worden ontleed. Daarom gelooft Valentik, dat juist deze varikeuze regelmatige opzwellingen misschien als het resullaat der toniciteit gedurende het leven zoowel als na den dood kunnen worden beschouwd. Hij gelooft niet, dat /ij oorspronkelijk aan alle vezels aanwezig zijn en eerst na opneming van water verdwijnen. De oppervlakkige primitiefvezels worden ligter varikeus, dan die in de diepte, meer naar het centrum gelegen zijn. Valentin houdt ze daarom, in dit opzigt voor contractieler. VolginsM, BAHAr(£««cef, 1842, Vol. 1. N'.5), ontslaan de dwarsstrepen daardoor, dat. de spiraalvormige vezels, die zich uit.

Sluiten