Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Volgens Jacquemin (1), Skey (2) en Valentin (5) wordt in de as van alle primitiefbundels eene holle ruimte of kanaal gevonden, die met eene geleiachtige zelfstandigheid zou gevuld zijn; of dit kanaal met een vlies bekleed is, laat Valentin onbeslist. Skey

de kernen der bloedlichaampjes vormen, en die, ten getale van twee of meer, even als een touw ineengevvonden, een vezelhundel vormen, allengs met hunne spiraalvormige windingen naauwer opeensluiten. Fr. Arnued (Jiandb. d. Anat. 1843J. schijnt zich aan die veel bestredene meening aan te sluiten. Eene nieuwe, maar volgens IlENLE (Jahresb. 1845, S. 20) onhoudbare verklaring er van gaf daarna Goodfellow (Land. physiol. Juum. 1844, Jan.). Hij meent, dat elke übrille eene bijzondere scheede bezit, en dat deze met dwarse septa voorzien is; in de tnsschcnruimlen, door de septa gescheiden, zouden rectangulaire (?) ligcbaampjes of schijfjes liggen. A. F. Günther (Lehrb. t. a. p.) leidt ze van fijne zigzag-buigingen der spierfibrillen af. Tot eene eigendommelijke meening kwam K. II. liACMGiiRTNER (Nette Unters. 1845, S. 23). Ilij stelde zijne onderzoekingen in het werk aan spieren van kreeften, die eerst volkomen gedroogd werden, vervolgens in water werden gelegd tot dat zij volkomen waren gemacereerd, en naar omstandigheden nog door drukkingen heen en weder schuiven onder het mikroskoop uitgespreid werden. Daarna deden zich de librillen als haarslaarten voor, de spierbundel als uit zulke dooreengevlochtene haarstaarten geweven. De schijn van varicositeit der afzonderlijke fibrillen hangt volgens IUomgürtmr van de lichtpuntjes af, die op dc plaatsen ontstaan, waar de weefseldraden elkander doorkruisen. De dwarsstrepen der oppervlakte worden door draden voortgebragt, die twee naauvv gewondene elkander te gemoet loopende spiralen vormen. Om zulke draden er uit te trekken en te isoleren, zou men spieren eerst moeten bevochtigen, vervolgens onder aangewende drukking tusschen twee glasplaatjes volkomen laten droogen, des anderen daags weder een weinig bevochtigen en de glasplaatjes heen en weder bewegen. De schijn van dwarsstrepen zou overigens niet door de draden zelve ontstaan, maar veeleer door eene lichtbreking, welke zich bij hunne overkruising zou vormen (S. 51). Kven eigendominelijk is de voorstelling, die C. J. M. Liifgenbeck [Lekte d. Beweqtmgsorgane, 1846J er zich van gemaakt heeft; fibrillen zouden namelijk overlangs naast elkander liggen en de ruimten der overlangsche vezels door dwarsvezels aangevuld worden (!—IIenle) en daardoor de dwarsstrepen worden voortgebragt. Ed. \Veber (YV'agner's Ilandwörterb. 184C, lid. lil, Abtli. 2) meent, dat de dwarsstrepen slechts tot de oppervlakte behooren en door plooijing der onuitrekbare scheede voortgebragt. worden. IlENLE (Jnhresh. 1347, S. 69) komt daartegen met het afdoende argument op, dat hij ze ook in de diepte der bundels zag. a. W. Massale (t. a. p ) is met Fjcinds en IIenee van meening, dat de dwarsstrepen der spierbundels van de strepen der fibrillen, en de strepen der fibrillen van bare regelmatige kronkeling afhangen. Vert.

(1) Tsii, 1835 , S. 437.

(2) Pullos, transact. 1837, p. 377.

(3) MiiLLER's Archiv, 1840, S. 207. Bert. Encycl. Art. Aluskeln. S. 209.

Sluiten