Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

spreekt van een geleiachtig overtreksel der overlangsche vezels aan hare binnenste naar de centrale holte toegekeerde vlakte, dat zich derhalve tusschen de vezels en de huis zou moeten bevinden. Aan geheele bundels zouden zich, wanneer men het focus langzamerhand verandert, eerst dwarse, daarna overlangsche vezels voordoen, vervolgens eene structuurlooze laag, daarop wederom overlangsche en eindelijk dwarse vezels. Somtijds wil Skey het centrale kanaal als opening op schuinsche doorsneden hebben waargenomen; maar hij geelt toe, dat dit maaksel niet allijd volkomen duidelijk is. Valentin voert als nader bewijs voor de aanwezigheid eener inwendige holte aan, dat versche spierbundels, dwars doorgesneden, zich dikwijls in hunnen geheelen omtrek te binnenst builen keeren, zoodat er eene soort van meer of minder trechtervormige ingangsholte ontstaat. Dit verschijnsel heb ik ook dikwijls waargenomen; maar ik moet bekennen, dat ik mij noch daardoor, noch door eene der andere opgegevene methoden van liet bestaan van het centrale kanaal met zekerheid heb kunnen overtuigen. Aan de bundels met breede dwarsstrepen ziet men van binnen slechts eene eenvoudige, gelijkvormige zelfstandigheid; aan die met smalle of zonder dwarsstrepen zag ik de vezeling bij elke plaatsing van liet focus, en in elk geval is liet onwaar, hetgeen Skey heeft medegedeeld, dat de overlangsche vezels altijd verder naar binnen dan de dwarsstrepen zouden liggen. Ik heb zeer fijne dwarse doorsneden van primitiefbundels gemaakt, door stukken van gedroogde spieizelfstandigheid overdwars af te schaven, en liet afgeschaafde in water te weeken; de doorgesnedene oppervlakten zagen er volmaakt gelijkvormig fijn gepunteerd uit, en deze punten, de doorsneden der primitiefvezels, ontbreken ook in het centrum niet. Daarentegen heb ik aan spierbundels, met name die van hel hart, die ik niet azijnzuur doorschijnend gemaakt had, dikwerf een verschijnsel waargenomen, dat mij voor het bestaan eener eigendommelijke as- of mergzelfstandigheid, zoo als men ze zou kunnen noemen, schijnt te pleiten. Grootere en kleinere donkere korreltjes (fig. 4, B, na) lagen in smalle, onregelmatige, overlangsche rijen in het midden der bundels; van het eene hoopje korrels tot aan het andere zetteden zich twee donkere lijnen voort even als wanden van een kanaal, dat de korrel-

Sluiten