Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zij, volgens Schwajvn (1) en Skey (2), over liet eerste derde gedeelte tot daar waar hij zich in de borstkas begeeft; volgens Ficinus (5) en Valentin (4) zetten zij zich tot aan de cardia voort, en loopen hier straalvormig uit, terwijl de gladde bundels "der maag tandvorrnig in de tusschenruimten der stralen zijn ingevat. Zoo vond ik het ook bij het schaap. liet onderste gedeelte van den endeldarm bevat varikeuze bundels (5). Tan de bilnaadspieren uit strekken zich gelede bundels, als constrictor, over het pars membrunacca der pisbuis uit; de gladde spieren nemen van den hals der blaas haren oorsprong (6J. Tot de animale spieren behooren, wanneer men op het maaksel der bundels let, het hart, de het digst bij het hart gelegene einden der groote aderstammen, en bij de kruipende dieren de lympheharten (7); of ook de uterus daartoe behoort, wordt nog betwijfeld. Zie boven.

De chemische eigenschappen der spieren zijn ten opzigte van hare afzonderlijke elementen nog weinig onderzocht. De bundels en vezels schijnen in water en wijngeest slechts weinig te Teranderen; lang gemaceïeerd scheiden zij zich gemakkelijker in de primitiefvezels, en worden overlangs in afzonderlijke stukken ontleed, In kokend water trekken zij zich in den beginne zamen en worden vaster; na langeren tijd echter worden zij weder week. In zamengedrongen azijnzuur worden, zoo als door ons gezegd is, zoowel de scheeden als de primitiefvezels opgelost; in verdund azijnzuur zwellen zij op, worden broos en doorschijnend, en wordt nu eens de transversale, dan weder de longitudinale streepvorming duidelijker zigtbaar; de kernen der scheede blijven daarbij onveranderd. In koolzure potasch worden de vezels vast; de golfvormig gebogene, maar overigens cilindrische vorm der primitiefvezels wordt zeer duidelijk (Ficinus). De spieren behooren tot de deelen, die het ligtst in rotting overgaan. De veranderingen, die

(1) J. Muller, P/iysiol. U, Sri.

(2) t. a. p., p. 381.

(3) De fibra muscul. p. 13.

(4) Reperl. 1837, S. 86.

(5) Ficinus, t. a. p., p. 16.

(6) J. MULLER, Organ. Nerven d. Geschlechtsorgan., S. 19.

(7) Trevimxos, Beitrilge. II, 72: Valentin, Müller's Archiv, 1830, S. 177.

Sluiten