Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in verlamde spieren vindt, naar diegenen gelijken, die zich gedurende het leven onder den invloed der zenuwprikkeling voordoen, dan zou men moeten aannemen, dat, hoewel de gewone prikkels in het levende en door middel der zenuwen op de spieren werken, desniettemin ook langs andere wegen hare zamentrekking mogelijk is, of ten minste, dat de zamentrekking na de scheiding van de zenuwen kan blijven bestaan. Yan de 1 ij k verst ij ving, die volgens Somjier's talrijke waarnemingen (1) zich niet vroeger dan 10 minuten en niet later dan 7 uren na den dood vertoont, weet men nog niet, of zij op eene met de levende zamentrekking overeenkomstige kronkeling der spieren of op eene eenvoudige stremming en verdigting harer zelfstandigheid berust. Yoor een aan het spierweefsel eigen, niet bloot door de stremming van het bloed zijner vaten afhankelijk verschijnsel moet men haar echter reeds houden om reden, dat andere niet minder bloedrijke deelen, b.v. de klieren, eene soortgelijke verharding na den dood niet vertoonen (1).

Daar de reactirn der spieren van de wederkeerige werkzaamheid tusschen zenuw- en spiervezels afhangen, zoo moeten er ook toestanden der spiervezels bestaan, die, door hare betrekking tot de zenuwen te veranderen, eenen invloed op hare prikkelbaarheid kenbaar maken, en waardoor de spiervezel voor de inwerking der zenuwen meer of minder gevoelig wordt. Men kent echter zulke toestanden niet, daargelaten de meer belangrijke organische ziekten der spieren, die dan ook wel gewoonlijk de zenuwen mede aandoen en verlamming ten gevolge hebben.

De punten van verschil, die de spieren in hare physiologische energie vertoonen, naarmate zij willekeurig worden bewogen of niet, zich rhythmisch of aanhoudend zamentrekken enz. moeten dien ten gevolge ook meer berusten op verscheidenheden in de bewegingszenuwen, dan in die der spiervezelen zelve (5). Ik stel daarom,

(1) De signis mor tem hominis absolulam indicantihus, P. II, Havn. 1833.

(2) Dat de lijkverstijving ook de organische spieren aandoet, wordt door eene eenvoudige proef van Valentin (Phys. II, 86) bewezen; in eene glazen buis, die in eenen met water gevulden darm bevestigd was, steeg onder zekere voorzigtigbeids-maatregelen, die liet darmstuk voor uitdroogen en verdampen moesten beveiligen, 'het water ongeveer 24 uren na den dood, en zonk later weder op een standvastig niveau. VïRT.

(3) Als bewijs van een stoffelijk onderscheid tusschen willekeurig en onwille-

Sluiten