Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zij, op zeldzame uitzonderingen na, geheel en al uitgevvischt. De primitiefvezels ziet men slechts zuiver cilindrisch of ligt knobbelig (1). Hoe deze kronkeling dan nog zoo lang na den dood kan blijven bestaan, blijft zeker daarbij nog te verklaren (2).

Men heeft de vraag opgeworpen, of, behalve deze buigingen, bij de zamentrekking der spier nog eene verdigting plaats heeft, of zij zich telkens even zoo veel in de dikte uitzet, als zij in de lengte afneemtj dan wel of zij een kleiner volumen bezit, dan in den

(t) Sket, t. a. p. p. 378; Valentin, Funct. nerv. p. 126.

(2) Gedurende de zamentrekking werden de varikeuze spieren later door A. DONïiÉ (Cours de microsc. 1344, p. 114) aan de tong, door ValepïTIN (P/iys. Bd. II, 1344, S. 33) aan de keelstreek der kikvorschen -waargenomen. Donné zag slechts eene eenvoudige verkorting, even als in een eaoutschoukdraad; Vaientin daarentegen met de meeste vroegere waarnemers eene duidelijke zigzagvormige buiging. Dit heeft, zoo als hekend is, ook nog na den dood in verschillende graden plaats. Van de groote, volkomene, hoekige inbuigingen gaan, volgens Valentin, ongeveer G—10, van de kleinere, onvolkomene 10—18 op eene lijn. In elke schenkel van zulk eene buiging kunnen weder 3—10 kleinere golfvormige of zigzagbuigingen voorkomen. De hoek, waaronder de bundels zich knievormig buigen, valt meestal tusschen de 80 en 120 graden. Aan de gladde spiervezelen uit de maag van den kikvorseh maakt zich, zoo als Valentin (S. 81) opgeeft, de hoogste graad van verkorting eveneens door golfvormige of zigzagbuiging kenbaar. Met Howman komenE. Weber (Arcliiv. génér. d'anat. 1846, p. 9 ; Wagner's llandwört. 184G, S. 62) en Wailer (Lond. and Edin. philos. mag. 1816, p. 271) daarin overeen, dat de gestreepte spieren zich gedurende de zamentrekking niet zigzagvormig buigen, maar dat deze soort van knicvormige buiging veeleer aan de spierbundels voorkomt, die, zonder gecontraheerd te zijn, passief, door de verkorting van den afstand der inplantingsplaatsen, verkort worden, hetgeen namelijk aan het einde eener zamentrekking plaats heeft, wanneer enkele bundels vroeger dan andere ophouden zich zamen te trekken, of de uiteinden der geïsoleerde spier, ondanks de ophoudende zamentrekking, zich niet van elkander verwijderen, maar aan het glas vastkleven. Dezelfde grond bestaat voor de rimpels en plooijen, welke over de zamengetrokkene spieren schijnen heen te gaan. I)e verkorting der werkzame spier is volmaakt gelijkvormig, zoodat zij zooveel in dikte toeneemt, als zij in lengte verliest. Eene geringe verdigting der spier heeft echter daarbij, volgens Weber's proeven (llandwört. t. a. p., S. 53), werkelijk plaats. Omtrent deenergie der spieren deelt E. II. Weber (Arcliiv. génér. p. 16) verder mede, dat zij nagenoeg even zoo lang na den dood blijft bestaan, als die der ciliën van het llimmerepithelium. Een hartoor van een kikvorseh, in bloed bewaard, zette in de grootste zomerhitte 60 uren lang zijne zamentrekkingen voort, die zelfs nog door koude vertraagd, door warmte versneld konden worden. Vert.

Sluiten