Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De scheede der spieren kan men zeker met een epithelium cn allereerst met het epithelium der vaten vergelijken. Of het te

van het spierweefsel op de volgende wijze: uit liet roode bloed sclieidl zich homogene vloeistof af, die tussclien het celweefsel, dat, de primitiefbundels verbindt, de gedaante van elementaire korrelljes aanneemt. Deze vereenigen zich tot eenvoudige, fijn gegranuleerde bundels, waarin groolere, lichte korrels (even als de kernligchaanipjes der vormingskogels) verdeeld zijn. De bundels vestigen zich het eerst aan den omtrek, terwijl het midden nog korrelig blijft, totdat eindelijk de geheele bundel uit evenwijdige overlangsche vezels beslaat, wier spiraalwindingen nog niet digt en niet zeer regelmatig gelegen zijn. Eerst later vertoonen zich de dwarsstrepen door verkorting der primitieve vezels en door het digter worden der windingen. De verdere ontwikkeling heeft van het midden naar den omtrek plaats; in het midden vormen zich bij nieuwe vorming van spierzelfstandigheid nieuwe vezels, terwijl de peripherische worden ontleed en in de vochtmassa teruggevoerd.

Volgens A. Köluker (Entwickelungsgesch. d. Cephalopoden, 1844, S. 74) bestaan in het midden van het embryoleven de trechterspieren der Sepiae uit kerncellen; later bevatten zij spilvormige cellen met ronde kernen; eindelijk vezels met langwerpige kernen, die in het begin nog hare kernligchaampjes bezitten, later echter, terwijl zij zich steeds meer verlengen, deze verliezen, en in eene korrelige onregelmatige massa worden verdeeld. Deze spiervezelen schijnen flien ten gevolge met de gladde spieren der gewervelde dieren tot ééne klasse Ie behooren. PnÉVOST en Lebert (Ann. d. sc. nat. 1844, Avril, p. 202, 215) beschrijven het ontstaan der varikeuze spiervezelen van den kikvorsch op de volgende wijze: in larven van ongeveer 2'" lengte, terstond na de vorming der wervelplaten en der cliorda dorsulis, en vóór dat zich het eerste bewijs van het hart vertoont, hebben willekeurige bewegingen plaats, voortgebragt door ware spiervezelen, welke dwars over de chorda dorsalis en aan de beide zijden der wervelplaten liggen. Het -zijn niets anders dan zich naar de beide zijden verlengende cellen, die in den beginne ovaal zijn, later cilinders vormen met afgeronde uiteinden; van binnen bevatten zij in rijen gerangschikte kogeltjes; zij bezitten 0,025"' lengte op 0,002"' breedte, vereenigen zich later ten getale van 3 of 4, om dikkere bundels te vormen, die tot 0,009"' doormeting verkrijgen, cn waar binnen zich de primitielïibrillen vormen. — De zelfstandigheid van het hart zou aanvankelijk eveneens uit kerncellcn van 0,001" bestaan, die tamelijk digt bij elkander in eene korrelljes bevattende grondstof gelegen zijn. Ten tijde dat het hart zich in kamer en boezem gescheiden heeft, zou men de omhulsels der cellen naauwelijks meer kunnen herkennen, en het zou zelfs schijnen, alsof de zelfstandigheid meer uit hare kernen zamcngestcld is. Deze zouden korreliger geworden zijn en slechts van binnen nog doorschijnend. In eenen lateren tijd zouden de cellen minder talrijk zijn en zeer bleek, en er vertoonen zich overgangsvormen van deze tot spierbundels met eenen korreligcn inhoud, maar zonder primilieffibrillen. IIenie, van wien wij dit overnemen, zegt (in zijn Jahresb. 1845. S.

Sluiten