Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eeniger tijd uit werkelijk gescheidene cellen bestaat, wil ik niet beslissen; de ontwikkeling der kernen daarentegen gelijkt naar die>

20), dat liet niet zijne schuld is, wanneer in deze voorstelling tegenspraak wordt gevonden. Lij het hoen (t. a. p. Dlai, p. 289, Oct. p, 237) vonden Piïévost en Lebept in de eerste dagen van den broeitijd het hart uit kerncellen Linnen in eene fijn gegranuleerde intercellulairstof gevormd. In het 55s*e uur zou men een aanlal vrije I;ernen waarnemen van 0,003"' doormeting en eene netvormige tusschencelstof, die een vezelig voorkomen heeft; in het 62ste lmr verloonen zich in de hartzelfstandigheid, behalve de kernen en de goedbewaarde kerncellen van O,00G5''' doormeting, een aantal platte en langwerpige ligchaampjes; eerst in het 95ste unr komen er duidelijke spierbundels voor, die misschien in eene uit opgeloste cellen gevormde kiemstof kunnen ontstaan zijn, naast kernen, kerncellen en draadvormige ligchaampjes. Primiticflibrillen binnen in de spierbundels zou men eerst in bet 140ste „ür herkennen.

K. H. Baümgürtxer [Nette Vnters. 1845, S. 14G) heeft ook eene ontwikkelingsgeschiedenis van de spieren bij den kikvorsch geleverd, die de vroeger door hem gegevene voor een gedeelte verbetert. De rangschikking der vormingskogeltjes in rijen beschrijft hij als vroeger, maar ziet ze "thans in kerncellen overgaan en zich vervolgens door ontwikkeling van nieuwe cellen in de tusschenruimtcn der oudo vermeerderen. Het omhulsel verdwijnt tot op eene dunne Jaag dojcrkorrels; de kern groeit; de vormingskogels worden daardoor lichten te gelijk plat, vierhoekig, en openen zich naar boven en onderen in de rigling der toekomstige vezels zoodat rij kleine zakken vormen. De wand der zakken zou uit vezels, elke vezel uit moleculaire korreltjes, elk moleculair korreltje uit eene centrale kern en een peripheriscli omhulsel bestaan. De doormeting dezer korreltjes wordt op 0,0006"' opgegeven. Door maccratie (en rotting — He.nle) in water zouden zich de moleculaire korreltjes in afzonderlijke korreltjes en rijen daarvan scheiden [monaden en vibrioncn — Uenle (Jahresb. 1846, S. 72)]. Binnen in de zakken zouden zich nieuwe vormingskogeltjes en nieuwe zakken ontwikkelen. A. F. Günther (Lehrbuclt, 1845) heeft nog bij cmbrvones van schapen van 1|" lengte de zamenstelling der spiervezelen uit in rijen verbondene, kubiekvormige cellen opgemerkt. Bij embryones van 2"—2§" lengte waren de tusschenwanden der cellen verdwenen, de kernen donkerder geworden, in de dwarste uitgezet, daarbij ook diVter opeengedrongen, hetgeen slechts van hunne vermeerdering of van eene zamentrekking der vezels kan afhangen. Of de vezels, waardoor de kernen later ingesloten en naar binnen gedrongen worden, zich op het vlies der oorspronkelijke vezel of aan deszelfs binnenwand vormen, wil Günther niet beslissen.

Volgens eene latere mededceling van A. Kolliker [Ann. d. sc. nat. 184G, p. 93) vormen zich bij kikvorschen de primitiefbundels der spieren van den kop en den romp uit embryonale cellen; die van de spieren der extremiteiten uit cellen zonder korreligen inhoud. De cellen smelten ineen tot eene buis, nadat zij in rijen gerangschikt zijn; de primitieffibrillen ontslaan, door metamorphose van den inhoud, óf rondom aan de binnenvlakte der huis, óf slechts aan een harer zijden • in het

II. 2G '

I

Sluiten