Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

welke wij in het binnenste vaatvlies hebben waargenomen. De meeste worden geresorbeerd ; andere worden in donkere vezels ver-

cerste geval (spieren van de extremiteiten der kikvorschlarve) liggen de celkernen nog langen tijd in de as der spierbundels; in het tweede geval (spieren van kop en romp) liggen zij tusschen de fibrillen en den buitenwand der buis.

Omtrent de ontwikkeling der spieren zegt H. C. B. Bendz [Handbog etc. 184/), dat men reeds vroeg bij bet embryo rondachtige kernen in de geleiachtige massa opmerkt, waaruit de spieren zich vormen. De kernen, in rijen gerangschikt, krijgen spoedig een zeer licht en fijn celvlies, dat eene lichte vloeistof insluit. De cellen groeijen in de lengte en smelten in rijen tot een cilinder ineen, waarvan de tusschenwanden later verdwijnen. Er ontslaat zoo een kanaal, gevuld met eene eiwitachtige zelfstandigheid en elementaire korreltjes, die de kernen dei oorspronkelijke cellen insluiten. Aan de binnenvlakte van het kanaal wordt daarna eene geleiachtige inassa afgezet, die zich overlangs in hoogst fijne vezels (de spierfibrillen) splijt, welke ook terstond de eigendommelijke kronkeling aannemen. De boeveelheid der laatste neemt in die mate toe, als de nederzetting tegen de celholte aan voortgaat, terwijl te gelijk hare kernen en elementaire korreltjes verdwijnen. Het oorspronkelijke celvlies zou dien ten gevolge de scheede uitmaken der latere spierbundels. Op eene andere wijze stelt J. AB IlOLST (De structura muscul. 1846) de ontwikkeling van bet spierweefsel voor: bet eerste tijdperk nam bij waar in de spieren van den rug of de onderste ledematen van het bebroeidc hoen van den 4den tot 5den dag en in een rundfoetus van 9"' lengte. Naast cellen en kernen doen zich alsdan in het blastcma kleine, bet licht sterk brekende en met donkere randen voorziene, regte of eenigzins gekronkelde fragmenten voor van 0,0012"' breedte en eene 6—10 maal grootere lengte. De eene *ijn gelijkmatig breed, de andere met opzwellingen voorzien, die de plaats van eene celkern aanduiden, welke nu cn dan ook duidelijk doorschijnt. Deze beginsels van bet spierweefsel, wier ontstaan uit eene cel door de kern wordt bewezen, liggen aanvankelijk meestal gescheiden; maar sommige plaatsen zicli reeds zoo naast elkander in rijen, dat de contour, die ze van elkander scheidt, verdwijnt, cn men de vergroeijing nog aan de gaffelvormige uiteenwijking der uiteinden herkent; zeer zelden duiden lijnen of punten de grenzen aan. In een later tijdperk, ongeveer nacenen 2 dagen langeren broeitijd, worden er korte draden van dezelfde gesteldheid, maar van eene 2 tot 3 maal grootere breedte gevonden; zij zijn somtijds doorschijnend, de uiteinden als afgesneden, het meest doen zich donkere strepen en punten op de oppervlakte voor, en eene splitsing der uiteinden in filamenten van de breedte der vroegere. De latere draden zijn uit de vroegere zamengevoegd en kunnen dikwerf nog kunstmatig ontleed worden. In het derde tijdperk is de lengte cn breedte dezer elementen toegenomen. Het mikroskopische beeld wijzigt zich allengs in dier voege, dat de bundels meer verlicht, de randen lichter worden en de lijnen duidelijker te voorschijn treden, die de zamenstelling der bundels uit draden aangeven. Eene spier uit dit tijdperk vertoont onder het eenvoudige mikroskoop vezels van breedte en meer; onder het zamengesteldfc

Sluiten