Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onderd, maar krijgen niet de dikte en ontwikkeling als die in het vaatvlies. Het aantal der kernen is, zoowel in gladde als in varikeuze spieren, grooter bij jonge dieren dan bij oudere.

mikroskoop ziet men, vooral op dwarse doorsneden, dat deze vezels uit 5—8 bundels lieslaan. Tussclien de bundels en fibrillen ligt eene cellen en kernen bevallende slof, die gedeeltelijk lot vorming van nieuwe spiervezelen, gedeeltelijk tot vaten en zenuwen, maar grootendeels tot bindweefsel, in den zin van Reichebt, als ook lot de scheeden der primiliefbundels gebezigd wordt. De spierbundels zijn nu dikwerf aan de randen gestreept, in bet middelste gedeelte liebt, gelijk aan buizen, wier bolle doorschijnend is, en niet zelden met plekken met donkere randen voorzien is, die naar kernen gelijken. Het buisvormige maaksel vertoont zich vooral duidelijk op dwarse doorsneden, waar de bolle licht, de wand met donkere, radiale strepen, die zijne zamcnslelling uit draden aangeven, doortrokken is. De massa der doorschijnende as schijnt niet vloeibaar, maar geleiachtig een door do fascikels ingeslolen blaslema te zijn. De wezenlijke kernen, die zich aan vele fascikels voordoen, liggen meestal niet van binnen, maar op de oppervlakte, en slechts somtijds komen er kernen tusschen 2 bundels voor. Verder zou bet voorkomen van buizen, die kernen insluiten, ook door de dwarsstrepen worden voortgebragt, die bij de zamentrekking der spierbundels hoofdzakelijk in bun middelste gedeelte le voorschijn komen. Ten slotte komen er ook vezels op de plaats van de doorschijnende as te voorschijn, bet blaslema tusschen de bundels vermindert, en hunne buitenste scheede wordt gevormd. Volgens,deze voorstelling beantwoorden alzoo de fibrillen der volwassene spieren aan de oorspronkelijke fragmenten, en ontstaan alzoo uit eene enkele cel; de fibrillen voegen zich lot. bundels, de kleinere bundels tot grootere bijeen, en de doorschijnende as wordt waargenomen, wanneer tusschen de verbondene bundels onontwikkeld blaslema ingesloten blijft.

De gladde spiervezelcellen van Köluker (t. a. p. zie de noot op blz. 3G1) ontslaan, volgens hem, elk uit eene eenkernige cel door de verlenging dezer en de ineensmelting van het vlies met den inhoud.

De waarnemingen-van H. Kramer (Müller's Archiv, 1843, S. GO) en J.GerLACn (Uantlb. d. Gewekelelire, 1848) omtrent de ontwikkeling der spiervezelen pleiten voor de door Schwann opgestelde theorie. Kramer ging ze aan embryones van kikvorsclien, Gerlach aan die van zoogdieren na. Rij den kikvorsch doet zicli de primitief bundel als eene teedere, met dojerplaatjes digt gevulde scheede, bier en daar ingesnoerd voor. Slechts op de ingesnoerde plaatsen is het buitenste vlies van den inhoud te onderscheiden. De tusschen elke twee insnoeringen gelegene massa beantwoordt in grootte cn inhoud aan eene embryonale cel. Later berint de inhoud, de dojerplaatjes, te verdwijnen; in bet midden of aan de eene zijde loopt nog eene rij daarvan door den bundel heen; ook deze wordt vloeibaar, en in de allengs lichter wordende deelen worden fibrillen en dwarsstrepen zigtbaar. De resorptie gaat niet overal van dezelfde plaats uit: somtijds ziet men bundels, die aan bet eene einde reeds fibrillen cn dwarsstrepen bezitten, en aan het andere nog geheel en al uit dojerplaatjes bestaan. In de willekeurige spieren verdwijnende

26»

Sluiten