Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heui (1) ook in het gedeelte van het buikvlies, dat de voorvlakte van den uterus bedekt. Elke aanhoudende beweging heeft eene bloedophooping in de spier en uitstorting van plasma ten gevolge, en wanneer deze gering is, wordt de uitgestorte zelfstandigheid in spierweefsel veranderd. Daarop berust de hypertrophie der spieren door oefening, de verdikking van de wanden van het hart en van de spiervliezen in de ingewanden bij hindernissen in de voortbeweging van den inhoud der kanalen. Wanneer het essudaat belangrijk is, b. v. bij ontsteking van het hart, dan gaat het niet in spier- maar in bindweefsel over; daaruit bestaat ook de zelfstandigheid der likteekens in spieren (2). Accidentele vorming van spiervezelen is niet waargenomen.

De spieren der gewervelde dieren komen in het algemeen met die van den mensch overeen; alleen in de verspreiding der verschillende vormen komen verschillen voor, waardoor de overgangen nog menigvuldiger worden. Zoo is bij de vogels en amphibiën de iris met varikeuze spiervezelen voorzien (3). Bij éenige visschen vond Iïeiciiert het spiervlies van het darmkanaal uit gestreepte bundels gevormd (4); aan de spier met gladde vezels , aan den penis van het paard , hebben wij boven reeds gedacht.

Onder de ongewervelde dieren bezitten volgens Valentin (5) en 11. Wagner (6) d einsecla, crustacea, cirrhipcdes en araclinid.es gelede spierbundels. De primitiefvezels van Erislalis tenax worden evenwel door Wagner (7) als glad, alleen met eenen eenigzins gekronkelden rand beschreven; hare dikte bepaalt hij op 0,001'". Rosentiial (8) vindt de dwarsstrepen bij insekten zeer duidelijk, duidelijker dan de overlangsche strepen.

(1) Müller's Arcliiv, 1840, S. 348.

(2) Paülï, Vuln. san. p. 43.

(3) Krohn in Müller's Archiv, 1837. S. 360. Vaientik, Bepert. 1837, S. 248.

(4) Uled. Vereinszeitung, 1841, N°. 10.

(5) Ilist. evol. sy.it. musc. p. 2.

(G) Müller's Archiv, 1835, S. 318.

(7) Taf. IV, Fig. 10 d.

(8) Fortnat. granul, p. 10.

Sluiten