Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

secundaire bundels; de fijnste fibrillen echter reeds primitiefbundels, zoo als daaruit blijkt, dat in gekookte spieren de jibrae terstond in fibrillen van de derde orde -worden ontleed (p. 34). De grovere fila zijn binnen de primitiefbundels zamenklevende primitiefvezels; zij zijn volgens Mcys zeldzamer en moeijelijker te zien dan de fijnere, en gewoonlijk wordt de fijnste fibrille terstond in de fijnste fila ontleed. Deze bezitten liet derde gedeelte der doormeting van een bloedligcbaampje van den mensch (p. 47, 278). De fibrillae, van bet 1) -e gedeelte van de doormeting eens baars, zag bij meestal cilindrisch of prismatisch, somtijds ook knobbelig, alsof zij in gelijke tusschenruimten door dwarse voren ingesnoerd en tusschen de voren opgezwollen waren; deze gedaante neemt, zoo als hij vermoedt, de bundel bij de zamentrekking aan (p. 23). Ook Müys kent aan de fijnste bundels (fibrillae) eene vliezige schede toe. De fijnste draden zijn óf regt óf gekronkeld, en, men moge ze in de bundels of afzonderlijk beschouwen, nu eens cilindrisch, dan weder knobbelig, en dezelfde vezel kan zelfs, zoo als Müys aanneemt, de eene of de andere gedaante vertoonen. De gladde spiervezels van de maag brengt Mors met die van het hart wegens hare menigvuldige vertakkingen tot eene bijzondere klasse (p. 151). Het kwam hem echter opmerkelijk voor, dat aan de maag de fijnere fila niet te isoleren en tot dikkere draden zoo naauw verbonden waren, dat de grenzen der afzonderlijke vezels in het geheel niet meer te onderscheiden zijn.

pbochasca {De carne rnusc. 1778) behandelt het onderwerp op meer eenvoudige wijze. Hij leert, dat door vliezige tusscbenschotten, voorzettingen dercelvliesscheede, de spier in fasciculi en lacerti, deze echter op dezelfde wijze in kleinere bundels verdeeld worden tot aan den laatsten bundel, die uit vezels zon beslaan, die eveneens elk nog eene celvliesscheede bezitten (primitiefbundels). De vezels zijn plat, niet geheel en al van gelijke dikte, en loopen door de gehcelc lengte der spier heen; zij bestaan uit draden, die almede niet volkomen rond, maar prismatisch zouden zijn, en tot '/„ gedeelte van de doormeting van een bloedligcbaampje zouden bezitten. Prochaska beschreef rimpels der fasciculi, die met bet bloote oog zigtbaar zouden zijn, rimpels der fibrae in alle mogelijke vormen, die er dwars overheen loopen, en er, van ter zijde gezien, een gekronkeld aanzien aan geven (knievormige inbuigingen), eindelijk fijnere rimpels der fila, waardoor zij zich, van ter zijde gezien, gekronkeld, van hoven gezien, als eene rij van blaasjes voordoen. Al deze rimpels ontstaan, volgens zijne meening, door de drukking van celweefseldraden, vaten en zenuwen, die dwars over de scheede der bundels heenloopen; ook neg de primitiefdraden zouden door vaten omgeven zijn. In de beschrijving der spieren van het hart en der ingewanden wijkt Prochasca niet van Müys af; hij zoekt het verschil slechts in de dooreenvlechting en daarin, dat in de laatstgenoemde deelen de fila dikker en niet tot fibrae verbonden zijn. Eerst door Fontana (Vigerngift, 1787, S. 384) werden de dwarsstrepen der primitieve spierbundels (bij gebruikt het eerst dezen naam, alsmede den naam primitiefvezels) tot zulk eene belangrijkheid verheven, en daarover de dwarse rimpels (door knievormige inbuiging) vergeten. Fontana vermoedt slechts, dat de dwarsstrepen der primitiefbundels door de op elkander sluitende afdeelingen der primitiefvezels zamengesteld worden. Deze zijn namelijk op gelijke afstanden door

Sluiten