Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verbonden zijn. Valektin (IIecker's Pf. Annalen, II, 1835, S. G9) verklaart daarentegen de primiliefvezels voor regt' en gelijkvormig; even zoo Trevirancs (Beitrüge, II, 1335, S. 69); de korreltjes, die somtijds daarin bevat schijnen, zouden er slefchls van buiten aankleven, eene meening, die op hel onderzoek van inselUen-spieren schijnt gegrond te zijn. Volgens FlCIKDS (Fibr. musc. 1836, p. 19) is de versche spiervezel regt (zij werd onderzocht van een dier, dat door blaauwzuur gedood was), maar zou zij na den dood in eene rij van afzonderlijke lcogelljes worden verdeeld. Ook zou zij door golfvormige kronkeling den schijn van eene zamenslelling uit kogeltjes kunnen aannemen, en het zou zelfs gelukken, dezelfde vezel eerst van boven als uit kogelljes zamengesteld en vervolgens van ter zijde golfvormig gebogen te zien. Skey [1'lul. transact, 1837. p, 37(>) verklaard-! de primiliefvezels (filament*) voor regt; maar zij vertoonden dikwijls regelmatige indrukken van de dwarsstrepen der scheede. Valentin heeft na latere onderzoekingen zijne meening in dier voege gewijzigd (Berl. Encijcl. XXIV, 1840, S. 212), dat de primiliefdraden, in de rust glad, eerst, bij de contractie varikeus zouden worden, en wel zoo, dat zij «door afwisselende verhoogingen en dalingen in haren geheelen omvang rozenkr.msvormige opzwellingen vormen, onverschillig of bet hoogere gedeelle tot een eigen scbeedevormig gedeelte behoort, dan wel of het slechts de buitenste laag van den primitiefdraad uitmaakt. Het centrale gedeelte der laatste schijnt gelijkmatiger cilindrisch te zijn; ten minste, men ziet niet zelden aan oudere spiervezelcn van den mensch, wanneer men ze bij eene zeer sterke vergrooting en bij lamplicht beschouwt, door den rozenkransvormigen draad een witachtig, cilindrisch deel heenloopen, zelfs wanneer het focus volmaakt naauwkeurig is." Ik boude bet voor onmogelijk, omtrent het inwendige maaksel van een draad van deze fijnheid eene zekere waarneming te doen. In den nieuwen druk van zijn handboek (18il) verklaart Kraüse zich insgelijks voor den regten en gladden vorm der primitiefvezels; het knobbelige voorkomen zou bij beginnende rolting ontstaan, zelden aan versche vezels in het oogenblik der indrooging. Eene eigendominelijke voorstelling van het maaksel der gestreepte spieren werd voor korten tijd door Bowjian (Edinb. phil. Joum. 1811; Froriep's Notizen, N°. 366) geleverd. De primitief bundels zouden zich overlangs in draden laten ontleden en overdwars in schijven; zij zouden uit primitieve deeltjes bestaan, die, wanneer men ze in hunne verbinding overlangs bekomt, draden vormen, en schijven, wanneer men acht slaat op hunne zijdelingscbe verbindingen. Draden en schijven bestaan in den onbeschadigden bundel altijd gelijktijdig. De overlangsche strepen zijn schaduwen tusschen vezols, de dwarsstrepen schaduwen tusschen de schijven. In tegenspraak met Sket meent Bowman, dat de spierbundel geheel en al uit deze elementen bestaat en geene centrale holte insluit.

Naar het oordeel, dat omtrent het maaksel der vezels werd geveld, moest zich ook de meening omtrent de dwarsstrepen der spierbundels wijzigen. Lactii, JorBAN, ScnwANN, Gerber en Valentin herkenden daarin dezelfde kogeltjes of varikositeiten, als in de primitiefvezels, naast elkander gerangschikt. Aan deze voorstelling is die van Ficinüs eenigermale verwant; ook Ficincs houdt de dwars gerangschikte donkere puntjes der bundels voor identisch met de donkere puntjes der primitiefvezels, doch, zoo als vermeld is, beide niet voor varikositeiten, maar

Sluiten