Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dwarsstrepen Ie moeien worden gebragt, die Valertin (Syst. musc. evol., p. 3) en Müller (Phys. II, 41) aan insekten hebben waargenomen, alsmede verder do breede strepen, die Skeï (p. 373, fig. 2 «) en Mandl (Fig. 9) voor de dwarsstrepen der insekten bouden. De spiraalvezels daarentegen, die Mandl (fig. 14) als vezels der spiersclieede van insekten afbeeldt, zijn blijkbaar vezels der trachene > en voor niets anders kan ik de bij Sket (fig. 2 b) afgebeelde bouden (1).

Het is opmerkenswaardig genoeg, dat, terwijl in al deze verklaringen, van bet begin af aan, de celweefselscbeede der spierbundels eene zoo groote rol speelt, nog niemand er aan dacbt, deze te praepareren. Men was eigenlijk niet verder gegaan dan Leedwemjoek, die wist, dat op de dwarse doorsnede de primitiefbundels door smalle septa gescheiden zijn. Eerst Ficinds (p. 24) bereidde werkelijk bindweefsel vezels, die dwars of schuins over de bundels been liepen; maar deze lijn in geenen deele standvastig. De eigenlijke scheede werd eerst door Valentin gezien (IIecrer's Afin. 1035, 8. 71). ïlij bewees, zoo al niet bare levendige con" tractiliteit, ten minste haar bestaan, daar hij de uiteinden der primitiefvezels van eene gedurende de prikkeling doorgesnedene spier kringvormig naar buiten omgebogen zag. Muller onderscheidde aan insektenspieren de scheede als een lichten zoom (Pliys. II,' 42j, en Schwann leerde bet maaksel of liever het gemis van structuur daarin kennen (Mikrosk. Unters. 1G6). Schwann ontdekte ook de kernen der gestreepte en ongestreepte spieren, die daarna door Pappenheim (Verdauung, S. 111, 147, 132), Valentin (Müller's Archiv, 1340, S. 211) en fiosentnal [De forrnat. grnnulosa, p. 5) onk bij volwassenen gevonden en door de beide eerstgenoemden als aaneengeregen epithelium, door Rosenthal als formatio granulosa beschouwd werden. Wat IIosenthal nuclei daarvan noemt, zijn kernligchaampjes of onregelmatige korreltjes.

Met de gladde spiervezelen ging het als met de slagadervezels, daar nu eens hare ware elementen (de gegranuleerde primitiefvezels of bundels), dan weder de kernvezels, dan weder eindelijk de fijnste fibrillen zijn gezien geworden, waarin de primitiefvezels, hoewel zeldzaam, worden ontleed. Zoo komt het, dat omtrent hare dikte en haren vorm zoo zeer uiteenloopende opgaven bestaan. Lang werd ook nog het hart onder de organische vezels gerekend, tot dat Kradse, Ladtii en Wagner de dwarsstrepen zijner bundels ontdekten. Door allen, behalve Valentin, worden de netvormige dooreenvlechting en de menigvuldigheid der anastomoses in de organische spiervezelen vermeld, hetgeen nogtans, zoo als boven is aangetoond, slechts met betrekking tot de secundaire bundels en tot de kernvezels juist is. Het meest is het spiervlies van het darmkanaal en de blaas onderzocht. Kracse zegt [Anut. I, 1833, S. 65), dat zijne vezels bleeker, weeker en dikker zijn dan die der vaste spieren; Ladtii zegt van de overlangscbe vezels van het dikke darmkanaal, dat zij in zeer fijne bundels zijn zamengevat, van deszelfs kringswijze vezels en van de vezels van de maag en den uterus buiten de zwangerschap, dat zij niet tot bundels vereenigd zijn. Volgens R. Wagner (Bcrdacii's Phys. V, 1835, S. 147, 152) zouden zich willekeurige en onwillekeurige spieren op dezelfde wijze verhouden, de primitiefdraden van bet darmkanaal zouden 0,0025"' door-

(1) Verg. de noot op blz. 375.

Vert.

Sluiten