Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zenuw, de secundaire bundels nagenoeg evenwijdig naast elkander liggen.

liet bindweefsel van het neurilema bezit, zoo als door ons reeds vroeger is vermeld, volmaakt het karakter van het fibreuze weefsel; de septa tusschen de fijnere bundels echter bestaan uit vezels of vliezen, die meer overeenkomst bezitten met vormen, welke het bindweefsel gedurende zijne ontwikkeling doorloopt, of overgangen tusschen bindweefsel en epithelium daarstellen. Dikwerf komen er nog echte bindweefselfibrilien voor; doch niet meer zoo bepaald in bundels evenwijdig gerangschikt, maar meer afzonderlijk en dooreengevlochten. Daartusschen loopen vezels, die zich door langwerpige donkere opzwellingen kenmerken, overblijfselen der cytoblasten, waaruit deze vezels zijn ontstaan ; ook worden er structuurlooze, glasachtig heldere of ligt gegranuleerde vliezige buizen met opliggende en in de lengte uitgerekte celkernen gevonden; ik zag zulke buizen, die slechts twee primitiefvezels insloten. In den wand dezer buizen ontwikkelen zich soortgelijke, in azijnzuur onoplosbare vezels, als in het gestreepte vaatvlies. Men vindt zoodanige b. v. aan de gezigtszenuwen, die zoo menigvuldig onderling anastomoseren, dat zij slechts fijne, weeke vliezen vormen, die netvormig doorboord zijn. Eindelijk doet zich in het omhulsel van alle secundaire zenuwbundels die soort van vezels voor, die wij op de binnenvlakte der scleroUca en op de zonuld £innii hebben leerenkennen (PI. II, fig. 4 en 9), breeder en smaller, zeer bleek, dikwijls gaffelvormig verdeeld , en op de verdeelingsplaatsen tot kleine knobbeltjes opgezwollen. Bij den kikvorsch zag ik dikwijls de secundaire bundels ringvormig en op regelmatige afstanden omgeven en ingesnoerd doorlichte vezels, die met langgerekte donkere kernen bezet waren. Bij de zoogdieren is dit mij niet voorgekomen, hoewel ook hier de vezels somtijds dwars, regthoekig tegen de lengte-as der zenuwen ügfjen. Pappenheiji heeft hetzelfde gezien, daar hij zegt (1), dat een afzonderlijke zenuwbundel van buiten nog door eenen draad spiraalvormig omwonden wordt, even als een bos stroo, en hierdoor hier en daar ingesnoerd. Deze draad scheen peesachtig te zijn; doch hij heeft hem ook in elasti-

(1) Verdauung. Drukfout op b!z. 150.

I*

Sluiten