Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In kogeltjes scheidt zich echter het zenuwmerg eerst na den dood, die, zijn het dan ook al geene zuivere vetkogeltjes, daarmede toch vrij veel overeenkomst aanbieden, en misschien juist door de scheiding der vet- en eiwitachtige bestanddeelen ontstaan.

Wanneer zich in het merg der zenuwbuizen de beide, aan de randen evenwijdig loopende lijnen gevormd hebben, dan gaat de verandering naar binnen verder voort, en des te sneller, hoe minder eiwithoudend en hoe kouder het water is, waarmede de zenuwbuizen bevochtigd worden ; E. Burdach beveelt daarom laauw water tot het onderzoek der zenuwen aan. Eerst, zoo als men aan dikkere buizen kan waarnemen, vormen zich zeer scherp en donker begrensde grootere en kleinere kogeltjes (Fig. ö, II, dde), vrij of door eenen steel in de zelfstandigheid overgaande, die tusschen de evenwijdige lijnen van den rand ingesloten is: zij vormen zich aan den geheelen omvang der zenuwbuis; van daar dat zij zich onder het mikroskoop langs de randen of ook midden oj> hare oppervlakte voordoen. De kogeltjes vloeijen tot onregelmatige figuren ineen (B); de donkere rand wordt daardoor breeder, breidt zich van alle kanten naar de as toe verder uit, en vult eindelijk de geheele buis op (D, c). Hij is met korreltjes en onregelmatige lijnen doortrokken, die allengs in aantal toenemen, waardoor het zenuwmerg een fijngekorreld voorkomen verkrijgt (E). Dezelfde veranderingen hebben, maar veel sneller, plaats aan het zenuwmerg, wanneer het aan het doorgesneden uiteinde of door eene scheur uit de schccde uitzwelt (I,a,E, Z»); het vormt zich dan tot zeer onregelmatige, korrelige klompjes, of het behoudt de cilindrische gedaante, die het in de scheede bezat. Hetzelfde proces wordt ook aan fijnere zenuwen, hoewel minder duidelijk, waargenomen. Gewoonlijk blijft hier het merg niet in de scheede ingesloten, maar treedt in de gedaante van fijne kogeltjes naar buiten (K,c). Hoe zich het zenuwmerg in azijnzuur gedraagt, heb ik reeds vermeld. In wijngeest wordt het terstond tot eene korrelige, lichtbruine, vlokkige massa; de scheeden trekken zich snel zamen en drijven het zenuwmerg uit; subcarhonas polassae drijft het merg, dat lang helder blijft, als eene taaije vloeistof in langzame stroomen naar buiten; zamengedrongene sublimaatoplossing brengt het nagenoeg oogenblikkelijlc tot kronkelen en ontleding in don-

Sluiten