Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

takken, welke van hetzelfde ganglion op de carotis naar beneden gaan. Deze zenuwen zijn roodachtig grijs, geleiachtig doorschijnend , maar tamelijk vast; de dwarsstrepen ontbreken er niet aan, maar zijn moeijelijker te onderscheiden, digter, en hangen alleen van de golfvormige buigingen van het neurilema af. Dit bezit eene buitenste laag van overlangsche bindweefselbundels, even als de witte zenuwen; op de buitenste laag volgt echter een zeer digt stratum van kringswijze vezelbundels, die er uitzien als de bindweelselvezels van het embryo, welke in hare ontwikkeling begrepen zijn. liet zijn zeer lichte, oogenschijnlijk homogene, platte vezels van 0,002—0,005"' breedte, met talrijke, meestal op de platte vlakte gelegene en op tamelijk gelijke afstanden gerangschikte, ronde en ovale celkernen, waarvan velen de regelmatige kernligchaampjes vertoonen, velen ook aan beide polen in korte punten zijn uitgerekt. De ovale kernen bezitten als langste doormeting 0,003"' (PI. IV, fig. (j). Wanneer de kernen ovaal of in spilvormige ligchaampjes verlengd zijn, dan ligt hare langste doormeting evenwijdig aan de lengteas der vezel, en dien ten gevolge in een regten hoek tegen de lengteas der zenuwbundels. Hoe meei de kernen zich verlengen en smaller worden, des te zwakker is haar zamenhang met de bundels, des te gemakkelijker maken zij zich, vooral na aanwending van azijnzuur, van de bundels los, waarbij zij zich gaarne eenigzins ineenrollen of slangvormig krommen. Men ziet ze zeer fraai aan de fijnste takken der JYN. molles, die men onbeschadigd op den objectdrager brengen en met sterke lenzen beschouwen kan; zijn zij hier en daar doorgesneden, dan wijken de overlangsche vezels des zenuwbundels uiteen, en de overblijvende dwarse bundels brengen alsdan insnoeringen te weeg, zoo . als wij ze bij den kikvorsch ook aan de witte zenuwen hebben waargenomen. Zelden wordt een dezer vezels in fijnere, met de primitive bindweefselvezels overeenkomende fibrillen ontleed (fig. 6, A, d). Azijnzuur lost ze op, en laat de kernen achter.

De vastheid van het ncurilematische omhulsel is voor een gedeelte oorzaak, dat de graauwe zenuwen niet zoo gemakkelijk overlangs te splijten en in bundels los te maken zijn, als witte zenuwen van gelijke dikte. Bij de poging oin ze met twee naalden of messen overlangs uiteen ie trekken, scheuren zij veel ligter dwars af,

2*

Sluiten