Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

spiervezel bij eene zoo wezenlijk verschillende verrigting, dan moet men wantrouwend worden ten opzigte van besluiten, uit de bloote mikroskopische waarneming opgemaakt. Op deze gronden heb ik zelf vroeger de meening van Valentin bestreden (1), en wanneer ik mij al met hem tegen den zamenhang der zoogenaamde organische vezels en der gangliëncellen verklaarde, en de hersenen en het ruggemerg als de gemeenschappelijke bron van alle zenuwvezelen aanzag, zoo geloofde ik toch ook de tweede soort der vezels van den sympalhicus voor zenuwen te moeten houden, die, uit de centraalorganen ontstaande, in de ganglia met elkander in eene geleidende verbinding geplaatst, zich in het contractiele bindweefsel en de vaten verdeelden. Aan het onvolkomene zamentrekkingsvermogen dezer weefsels scheen de geringere ontwikkeling hunner zenuwen te beantwoorden. Toenmaals kon ik nog niet de gezamenlijke en met name de fijnste primitiefbuizen uit de met kernen bedekte vezels vinden, en wist ik niet, hoe groot de kring van spiervezels zijn kan, die eene enkele motorische zenuw beheerscht. Na verdere onderzoekingen is het mij steeds onwaarschijnlijker geworden, dat Remak's organische vezels tot peripherische verspreiding bestemde zenuwvezels zouden zijn, bijzonder om die reden, dat men ze nergens uit de zenuwbundels in de weefsels ziet overgaan, ook niet in die, welke bij voorkeur door gangliënzenuwen moesten worden verzorgd (2). De tusschen de platen van het mesenterium naar den dunnen darm loopende zenuwtakken wijken, zoo als Valentin aanvoert, van andere ligchaamszenuwen in geen enkel opzigt af. De zenuwen der mamschijven en traanklier zijn takken van spinaalzenuwen en volmaakt gelijk aan deze gevormd; de nervi ciliares binnen in het oog bezitten buisachlige vezels en slechts los bindweefsel daarlusschen, ja zelfs

(1) Pathol. Unters. S. 87.

(2) rebiak's meerlingen, volgens welke zij op de vaten, in de conjunciioa, in liet perito?ieum enz. zouden voorkomen, waren reeds vroeger door mijne onderzoeking van het epitlielium wederlegd. Ilij besloot tot haar bestaan slechts nit de celkernen, die, zoo als ik had aangetoond, tot het epithelium behooren. Thans heeft pürkinje (R.oseisthal, t. a. p. p. 18) wel aan de hersenvaten eene uitbreiding van organische zenuwen beschreven; daar hem echter het maaksel der vaatvliezen niet volkomen bekend was, is in dit geval zijne uitspraak van weinig belang.

Sluiten