Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de zenuwen, die zich op vaten verspreiden of liever over vaten heenloopen, zijn ware, mergvoerende zenuwbuizen. Dit ziet men reeds dikwijls bij zoogdieren, en vooral gemakkelijk aandeonderbuiksvaten van den kikvorsch. Over het algemeen zijn bij den kikvorsch de gangliënzenuwen van de cerebrospiriaalzenuwen niet onderscheiden; hare primitiefvezels zijn slechts veel fijner. Legt men eenen kikvorsch op den buik, en verwijdert men de wervelkolom, terwijl men de uitgaande zenuwen digt er bij afsnijdt, dan heeft men de aorta met hare vertakkingen onbeschadigd voor zich; aan elk harer zijden ligt een roodachtig, lang en smal ganglion. Elk ganglion hangt met de zenuwvlecht voor de onderste ledematen door onderscheidene dunne takken zamen; deze takken bestaan groolendeels uit de fijnste primitiefbuizen, die men in de lendenzenuwen terug vervolgen kan. Zij loopen door het ganglion heen , en komen vervolgens aan zijnen binnensten rand, die naar de aorta toegekeerd is, in grooter of kleiner aantal tot bundels verzameld, als vaatzenuwen te voorschijn. Van nu af gaan zij slechts met de vaten verder. Elk stammetje van de geheele vaatvlecht, dat naar de ingewanden, naar de onderste ledematen gaat, is van zenuwen vergezeld. Nu eens hebben vat en zenuw, in eene gemeenschappelijke celscheede bevat, nagenoeg gelijke dikte; dan weder ziet men een vat, waarop slechs ééne zenuwvezel of twee een lang eindweegs heenloopen; dan weder eindelijk zenuwbundels, die door een of twee naauwe vaten vergezeld zijn. Men blijft dikwijls in twijfel, of men eenen zenuwstam met zijne voedende vaten, dan wel een vaattak met zijne bewegende zenuwen voor zich heeft.

Mag men echter bij de nagenoeg zoo volkomene overeenstemming, die alle gewervelde dieren met betrekking tot de elementaire deelen van het zenuwstelsel vertoonen, eene organisatie voor wezenlijk houden, die slechts tot enkelen beperkt is?

Dat de organische vezels niets dan bindweefsel zouden zijn, is daarmede zeker nog niet bewezen. J. Muller (1) maakt de hypothese, dat zij de mededeeling tusschen de gangliënkogels zouden tot stand brengen, in zekere mate een commissurenstelsel der gangliën zouden zijn. Zonder in de vraag omtrent hare verrigting

(1) Archiv, 1839, p. CCV.

Sluiten