Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

belli ontsprong, en na een kort boogvormig verloop in de kleine hersenen terugkeerde. (1) Misschien behooren hiertoe nog de achterste vezels van het chiasma der gezigtszenuwen, welke door onderscheidene waarnemers zijn beschreven , als boogvormig loopende van de eene zijde naar de andere. J. Müller (2) beeldt zulke vezels af, zonder ze in het bijzonder te beschrijven; Treviranus (5) spreekt van vezels, die zoodanig loopen, alsof zij, boogvormig van beide kanten afkomende, met elkander anastoinoseerden; Arnolp (4) noemt ze fibrae arcuatae ccrchrales. Hij duidt met den naam fibrae arcuatae orhilales vezels aan, die in soortgelijke bogen tusschen de binnenste randen der beide gezigtszenuwen voor het chiasma heenloopen; ook Muller heeft reeds zulke vezels gezien, waarbij men op den eersten aanblik verleid zou kunnen worden te gelooven, dat zij in liet geheel niet van de wortels kwamen, maar de vezels van het binnenste gedeelte der gezigtszenuwen vóór het chiasma verbonden. Hier hebben wij zelfs lissen, die naar de peripherie toe open zijn, in de peripherie schijnen wortel te vatten, en met de centraal-organen in geene verbinding te staan. En de gezigtszenuwen bieden daarvan niet het eenige voorbeeld aan. Yolkmann deelt de volgende waarneming mede (5): «Bij den mol komen de nervi thoracici als eenvoudige stammen uit de spiraalgangliën, maar worden, onmiddellijk nadat zij hieruit te voorschijn zijn gekomen, in den voorsten en achtersten tak gesplitst. In den openen hoek der plaats van verdeeling vond ik lisvormige vezels op die wijze geplaatst, dat de buiging in den hoek kwam te liggen, terwijl de voortloopende uiteinden aan de eene zijde in den voorsten tak, aan de andere zijde in den achtersten tak naar de peripherie heen gerigt waren." De genoemde vezels waren derhalve buiten zamenhang met de centraalorganen , en daar ze toch ergens moeten zijn ontstaan, leidt Yolkmann ze van den sympathicus af. De synipathieus bezit echter geen andere zenuwvezels, dan zulke, die hij van

(1) Med. Corresp.— Blall d. wiirtenherg. Vereins, X, -\;. 40.

(2) Vergl. Physiol. d. Gesichtssinnes, Taf. II, Fi«\ 1. Fij. 4, []■

(3) Neue Beitriige, H, 10, IV, Fijj. 38, 39.

(1) Icon. Anat. Fase. II, Tab. IV, fijf. u.

(5) Mulur's Archiv, 1033, S. 291 , Taf. VIII. Fig. 2.

Sluiten