Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oppervlakte als op doorsneden bereid (1). Volgens hem vormen zij, in hare fijnste bundels gescheiden, aan de minder gevoelige huidplekken een net of eene vlecht met tamelijk wijde en rondachtige mazen, waarin geene geïsoleerde vezels schijnen voor te komen (fig. 9S); aan gedeelten der huid met een fijner gevoel, met name aan die, waarop papillen voorkomen, stijgen zij in zeer naauwe bogen of lissen in de papillen op; elke lis is uit twee in elkander inmondende primiliefbuizen ontstaan, die nu eens uit een en denzelfden bundel, dan weder uit nabijgelegene, eindelijk ook uit wijd van elkander afgelegene bundels afstammen. De vezel die eene lis vormt, kan zich kronkelen of zelfs tot eene soort van kluwen opwinden, even als de bloedvaten in de glomeruli der nieren. Gerbeu beschrijft zulke kluwen ook in den loop eener regt uilloopende zenuwvezel onder de huid, b.v. aan de lip van het paard. De huidtepels zijn, volgens hem, fijne, cilindrische uitwassen der huid, die een vaat- en zenuwlis bevatten (2).

Even als de zenuwen der uitwendige huid, gedragen zich de zenuwen van het slijmvlies, zoo als men bij kikvorschen aan het geheele slijmvlies van den mond zien kan, namelijk aan het dunnere gedeelte, dat het tongbeen bedekt, wanneer men het zoo fijn mogelijk afpraepareert, en het epithelium door afschaven verwijderd heeft. In de tong gelooft Burdaüh (5) primitiefvezels van de zenuwen ééner zijde in die der andere te hebben zien overgaan. Uit het slijmvlies van den neus eens honds beeldt Valen-

(1) Fig. 92—101.

(2) Wat eigenlijk de meening van Krescdet en Rodssel de Vaczème over de verhouding der zenuwen in de papillen is, durf ik niet beslissen. Zij zeggen eerst met duidelijke woorden {Ann. d. sc. nat. 2e Sér. II, 17Ü), dat in den tepel elke zenuw in eene stompe punt {pointe mousse) eindigt; daarna vermoeden zij, dat zij eene lis vormt; en eindelijk stemmen zij toe, dat liet uiteinde nog niet Lekend is. In de eene afbeelding (TM). IX, fig. U) verdeelt ziel. de zenuw, vóór dat zij in den tepel gaat, in onderscheidene vrij eindigende draden; in fig! 10 en 12 is de geheele papil met overlangschc strepen getcekend, die aan d°e punt telkens 2 aan 2 in elkander overgaan, en in den tekst voor ombuigende zenuwvezels verklaard worden. Gldge (VInstitut, 1838, IV°. 232) ontkent de aanwezigheid van zenuwvezels in de tepels geheel en al.

(3) t. a. p. S. G8.

Sluiten