Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De uiteinden van de primitiefdraden der gezigtszenuw blijven derhalve nog in het onzekere; echter komen de genoemde waarnemingen daarin overeen, dat zij zich niet op den achtergrond \an het oog bevinden, waar de aandoening van het licht het scherpst is, en dat niet op elk gevoelig punt de punt of het uiteinde eener zenuwbuis gelegen is. Eene uitzondering zoude volgens Michaelis het menschelijk oog inaken. Terwijl namelijk de vezels der gezigtszenuw, van de plaats af waar deze naar binnen gaat, naar alle andere zijden regtlijnig uitstralen, zouden zij naar de inacula lulea toe in bogen loopen, en van beide zijden af in het foramen centrale bijeen komen. Men denke zich eene regte lijn, van de plaats af, waar de gezigtzenuw naar binnen gaat, naar het midden van het foramen centrale, dan zullen de primitiefvezelen aan beide zijden dezer lijn op die wijze loopen , dat zij hare concave zijde naar de lijn toekeeren , en dat wel met eene zwakkere bogt, naarmate zij digter bij de lijn zijn. De eindpunten van alle bogen zouden in het midden der tnacula lutea, d. i. in het foramen centrale, bijeenkomen, zonder zich te verbinden, en ook de verder naar buiten gelegene zouden, zonder in elkander over te gaan, in eene lijn aan elkander raken, welke het verlengsel zou zijn van de lijn, die men zich van de plaats, waar de gezigtszenuw naar binnen gaat, naar de tnacula getrokken denkt.

Brescuet beveelt te regt de verspreiding der gehoorzenuw in de ampullae en op het spiraalplaatje van het slakkenhuis als de zenuwuiteinden aan, welke voor de beschouwing het meest toegankelijk zijn. Bresciiet heeft zelfs de vlechtvormige verbindingen, welke de bundeltjes van den nervus atnpullaris en de afzonderlijke, uit den modiolus tredende stammetjes op het spiraalplaatje met elkander aangaan, en derzelver uiteinden in lissen, beschreien en afgebeeld (1). Met zijne voorstelling stemt die van Arnold (2) volkomen overeen; nogtans was de door hem aangewende vergrooting niet sterk genoeg, om de primitiefvezels zelve waar te nemen. Valentin (5) bezigde voor deze onderzoekingen het oor van vo-

(1) Recherches anatom. et physiol. sur Vorgane de Vouie. Paris, 1836, 4, p. 106, Tab. VIII, fig. 2—4.

(2) Icon. anat. fase. II, Taf. VII, fi^. 12. 13.

(3) t. a. p. S. 63, fio-. 6, 26, 27, 29, 30.

Sluiten